Inhoud van deze pagina
- De monniken die Holland een verleden gaven
- De vroeg-middleeuwse geschiedenis van het klooster volgens de huidige Adelbertusabdij
- J.K. de Cock, De goederen van de Egmondse kerk in 922
Noten
Voor het ontrafelen van de Egmondse mythe kan hier enkel materiaal worden aandragen. De documentatie van het bisdom Trajectum (Tournehem) komt na de invallen van de Noormannen meest waarschijnlijk terecht in de St.-Bertijnsabdij te St. Omaars. Een deel van de documentatie wordt vandaar naar Gent overgebracht. De ‘Hollandse graven’, tot dan graven in Fresia (Vlaanderen) genaamd, komen vanuit dezelfde omgeving naar Gent. In de eerste helft van de twaalfde eeuw wordt de abdij van Egmond vanuit Gent gesticht en het krijgt de documentatie van Trajectum mee die nog weer later geleidelijk op Holland wordt betrokken (1), feitelijk echter pas nadat Echternach in 1156 via Utrecht in Holland aanspraak maakte op ‘voormalig bezit’ (2).
Van de Egmondse abdij is ooit aangenomen dat deze al vóór 640 zou zijn gesticht; de Annalen van Egmond beginnen immers met een bericht uit dat jaar (3). Het gaat daarbij aantoonbaar om overschrijfsels uit annalen afkomstig vanuit veel zuidelijker streken, met name uit Gent en St.-Omaars. Momenteel wordt algemeen aangenomen dat de stichting niet eerder dan rond 940 plaatsvond – de periode waarin graaf Dirk I schenkingen zou hebben gedaan, althans volgens beweringen van honderden jaren later. Toch gaf de abdij geen teken van leven vóór 1130, het werkelijke jaar van de stichting waarna de kerk eerst in 1148 werd ingewijd. Vóór die tijd kan aan het schrijven van heiligenlevens en dodenboekjes, laat staan aan ware Annalen en een heus Gravenregisters door het handjevol monniken dat wel wat anders te doen had nauwelijks veel aandacht zijn besteed (4). Het is uit veel latere ‘afschriften’ – wanneer niet nieuw opgesteld dan toch in ieder geval vervalst – dat we ons een beeld moeten vormen van het werkelijke ontstaan en de ontwikkeling van de abdij. Daarbij dient een werkelijkheid waarvan de juistheid enigszins kan worden nagegaan te worden gescheiden van allerlei latere loutere beweringen.
Laten we beginnen met het algemene oordeel van een moderne Egmondse monnik :
«De oudste Egmondse geschiedbronnen zijn niet zozeer van belang voor de kloostergeschiedenis als wel voor die van het graafschap Holland. Ze bevatten de weinige beschikbare personalia over de eerste graven en gunnen ons een blik op de verschillende ontwikkelingsstadia van het graafschap. Dit verklaart de belangstelling voor deze geschiedbronnen. Tal van publicaties, zowel tekstuitgaven als studies, hebben het licht gezien en getracht duidelijkheid te scheppen in de onoverzichtelijke chaos die het voorhanden materiaal bood. Ik zeg hier uitdrukkelijk ‘getracht’ want het resultaat, is, om de woorden van de laatste onderzoeker te gebruiken, ‘vrij teleurstellend geweest’ (a1). Een overzicht van deze uitgaven en studies vindt men in de uitgave van Oppermann, Fontes Egmundenses. Dit laatste werk heeft een serie reacties ontketend, voor en tegen, die haar voorlopige afsluiting gevonden heeft in een reeks artikelen van Meilink. Hierop kunnen we steunen als voorlopig eindresultaat van het werk door Oppermann aangevangen (a2). Tegenwoordig wordt wel algemeen aangenomen dat de eindconclusies van Meilink een gematigde rectificatie betekenen van Oppermanns wat al te voortvarende kritiek.» (5).
a1. Meilink, Geschiedbronnen p. 1
a2. Met Romein-Bruch p. 10.
Otto Opperman gaf de Egmondse bronnen in 1933 uit in een eerste moderne tekst-kritische editie die onovertroffen is maar die wel toe is aan een nieuwe uitgave met daarin opgenomen nog verdergaande gevolgtrekkingen. Hij betwijfelde de echtheid van vele documenten en kwam met dateringen die veel jonger waren dan de ontstaanstijd die tot dan toe voor de documenten was aangenomen. Het was vervolgens aan dr. A.P. Meilink om – in plaats van deze weg ten einde te lopen – op de “al te voortvarende” – en vooral ongewenste – kritiek ervan zoveel mogelijk af te dingen; vooral in een poging om een aantal documenten over de kritische grens van 1130 heen te helpen (“een gematigde rectificatie”), dat wil zeggen het jaar waarin de Egmondse abdij volgens de eigen documentatie was gebouwd. Voor eerdere perioden ontbreekt in de documentatie van de Egmondse abdij zélf namelijk iedere verwijzing naar een bestaand hebbend klooster en documenten van vóór die tijd zijn er niet.
Hieronder volgt – ter inleiding, opdat we nauwkeurig weten met welke mythe we van doen hebben – eerst de vroeg-middeleeuwse geschiedenis van de Egmondse abdij in de versie die het huidige klooster nog altijd aan de bezoekende gelovigen voorhoudt. Daarin worden niet weinig ‘zekerheden’ opgevoerd die als zodanig niet te vinden zijn in de ‘wetenschappelijke’ geschiedenis, geschreven door één van de moderne kloosterlingen – van een nieuwe abdij die geen historische samenhang had met de eerdere –, maar waarin wél in allerlei bespiegelende beschouwingen over ‘mogelijkheden’ (of wensdromen) in de openbaarheid worden gebracht. Het is allemaal ouderwets-traditionalistisch; nieuw is alleen de aanspraak op moderne wetenschappelijkheid met in het voorwoord de benedictie van de Utrechtse prof. dr. F.W.N. Hugenholtz.
Daarop volgt een tekst die een goed voorbeeld geeft van de traditionalistische werkwijze. Er wordt uitgegaan van de echtheid van de ‘koningsoorkonde’ van 922, onder verwijzing naar Otto Oppermann, maar zonder te vermelden dat deze de ‘oorkonde’ als een vervalsing had gebrandmerkt, en naar A.C.F. Koch die dat zoveel mogeljk afzwakte (6). Vervolgens wordt de lijst nagegaan van schenkingen aan het klooster door de verschillende Hollandse graven, een lijst die pas in de vijftiende eeuw tot stand kwam en die eveneens een vervalsing is gebleken (7). Dan worden bezittingen opgesomd uit 1225 die niet in die lijsten voorkomen en wordt er verondersteld dat die “zeer goed” van vóór 922 zouden kunnen dateren. Zo is er geen enkel respect voor de chronologie van de documenten en wordt er veronderstellenderwijs de ouderdom van het klooster speculatief met eeuwen opgerekt, zelfs tot vóór de algemeen aangenomen stichting rond 940; met op de achtergrond het verlangen de geschiedenis geleidelijk nog verder te kunnen terugvoeren tot... 640, het jaar waarin de Annalen van Egmond beginnen. De archeologie, die in het artikel zo goed als afwezig is, weerspreekt een dergelijke ‘reconstructie’ terwijl er geen documenten van vóór de twaalfde eeuw bestaan; de meesten zijn zelfs alleen uit veel latere ‘bewerkte’ afschriften bekend die traditionalistisch kritiekloos worden benaderd alsof het om originelen zou gaan.
«In de rij van grote en kleine dorpen aan de duinrand van Holland ligt halverwege Egmond. Het is daar een oude streek, want de duinrand vormde een der weinige bewoonbare plaatsen in het wadden- en moerasachtige landschap van de dagen van het begin onzer jaartelling. De vroegste bewoners, bijeenwonend in kleine gehuchten, hielden zich in leven met het houden van wat vee op de ’s zomers droogvallende moerassige weiden, het verbouwen van wat levensmiddelen op de hogere droge gronden, of zij waagden zich ook op het water van de meren en de zee om daar in een gevaarlijk bestaan hun karig voedsel te vinden. “Egmond”, zo zeggen oude schrijvers, “was de naam van de monding van een riviertje de Eg, Egge of Ey” (8). In latere tijden en nog niet zo lang geleden, werd daar door de moderne schrijvers de spot mee gedreven. Het was een echt middeleeuwse manier, zo zei men, om met wat fantasie een plaatsnaam te verklaren. Maar de wetenschap staat niet stil en geologen hebben een tiental jaren geleden ontdekt, dat er rond het begin van onze jaartelling te Egmond werkelijk een uitmonding bestaan heeft van een riviertje dat via de tegenwoordige Vecht en het IJ vanaf de oude Rijn naar het noorden stroomde. Hulde dus aan onze oudste beschrijvers van Egmond. In de tijd van de grote volksverhuizing, 400 na Christus, is de bevolking hier waarschijnlijk voor enige tijd tot een uiterst miniem aantal teruggelopen. Pas rond 600 vinden we de eerste scherven die wijzen op nieuwe bewoning, natuurlijk Friezen, die intussen het gehele westelijk deel van Noord-Nederland bewoonden. Het is wel in deze tijd dat we de oorsprong van de latere vorstelijke, koninklijke of keizerlijke villa’s of hoven moeten zoeken. We stellen ons voor dat de Friese vorsten zich de verlaten gronden aan de zeekust hebben toegeëigend, wat hun oud recht was, deze in cultuur hebben gebracht, er hoven hebben gesticht, vanwaar zij hun levensmiddelen betrokken en waar zij nu en dan, een tijdlang vertoefden tot de voorraad was uitgeput en een volgende hoeve aan de beurt was. Na de verovering van deze gebieden door de Franken na 600 vervielen deze vorstelijke eigendommen automatisch aan de nieuwe heersers, die ze door hun graven lieten beheren. In het tegenwoordige Egmond lagen drie van zulke hoven : die van Arem, dat is Noord-Bakkum en Egmond-Binnen, die van Rinnegom en die van Wimmenum. De Frankische keizers hebben niet lang plezier gehad van hun bezittingen aan de verre kusten. In de negende eeuw verscheen als een donkere wolk de plaag van de Noormannen. De Scandinaviërs en vooral de Denen waren van oudsher een ondernemend volk – Engeland en zelfs Amerika weten er van mee te praten – dat niet tegen een zeetochtje opzag als er winst ofbuit te behalen was (9). De grootste plaag van dat land was de regeling van de troonopvolging. Een overleden vorst werd namelijk niet opgevolgd door zijn zoon maar door het oudste lid van de familie. Gevolg was dat de betreffende zoon met een aantal kornuiten de biezen pakte en op avontuur uitging. Onze streken werden daar ook de dupe van. De verre Frankische koning of keizer kon er niet veel tegen doen en hij mocht al blij zijn als hij het met de aanvallers op een akkoordje kon gooien en een verbond met hen kon sluiten. Dat schijnt in het toenmalige Friesland nog wel eens gelukt te zijn. We horen van Deense vorsten Rorik en later Godfried (10), die genegen waren de handelsplaats Dorestad en ook keizerlijke goederen in Kennemerland te beschermen. De kerk van Egmond In een oud verhaal lezen wij hoe de Denenvorst Rorik op zekere dag per schip langs het kerkje van Egmond voer en zag hoe het door een zandverstuiving werd bedreigd. Hij had er belang bij, want het kerkje was het centrum van Arem, een van de landgoederen die hij van de keizer te leen had. Er werden maatregelen getroffen om de dreigende ramp te weren. Maar toen men de volgende morgen aantrad om het stuifzand te verwijderen, bleek de wind gekeerd en het gevaar alweer een steenworp ver verwijderd te zijn. Het verhaal is typerend voor het belang dat Rorik bij het kerkje scheen te hebben. Ook later toen men de goederen vermeldde die de eerste Hollandse graven van de keizer in leen hielden, werd er steeds melding gemaakt van de kerk van Egmond. Meer over de kerk lezen wij in ‘Het leven en de wonderen van Sint-Adelbert’. Adelbert, een der gezellen van de geloofsverkondiger-bisschop Willibrord, heeft in het begin van de achtste eeuw in deze streken gewerkt en werd na zijn dood aan de voet van de duinen begraven. Al spoedig werd er boven het graf een kerkje gebouwd dat uitgroeide tot bedevaartsoord en centrum van de streek. In deze hoedanigheid werd het dan ook enige malen de prooi van de aanvallen der Noormannen. Maar een houten kerkje was spoedig herbouwd en het graf van Adelbert bleef in ere. Een andere bedreiging voor het kerkje, we zagen het reeds, was het opdringende stuifzand van de duinen. De bewoners rondom hebben zich langzamerhand teruggetrokken naar het oosten, een verschijnsel dat ook elders geconstateerd is. Als de akkers en weiden overstoven werden, week men terug en zocht andere cultuurgronden. Zo kan men verklaren dat het centrum van de villa Arem zich verplaatst heeft van Egmond bij het kerkje naar het oostelijker gelegen Hallem (11), de plaats van de latere abdij. We hadden het over Rorik. Rorik had niet alleen goederen in Kennemerland maar ook en voornamelijk in Dorestad, het tegenwoordige Wijk bij Duurstede. Zijn opvolger Godfried had zelfs macht in de Betuwe bij Spijk en Lobith. Het is hem wel naar het hoofd gestegen. Hij werd steeds lastiger en de keizer zal dan ook dankbaar geweest zijn dat Godfried het slachtoffer werd van een verraderlijke samenzwering bij Spijk. Een belangrijk aandeel in deze aanslag werd geleverd door de Friese graaf Gerulf. Deze kreeg de koningsgoederen van Godfried in zijn bezit en werd onder andere heer in Egmond en Kennemerland. Er ging een nieuwe fase in de geschiedenis van onze streken beginnen. Het graafschap Holland en de abdij van Egmond Gerulf stierf in het begin van de tiende eeuw. Hij liet twee zonen na, Dirk en Waldger. Misschien moet de volgorde van deze namen anders zijn, want bij de verdeling der vaderlijke goederen kreeg Waldger de voorrang met de goederen in de Betuwe, waartoe onder andere de kerk van Tiel behoorde. Dit was de grafkerk waar ook reeds Gerulf en misschien nog voorvaderen van hem waren begraven. Dus een dynastieke grafkerk. Dirk (onze graaf Dirk I) werd in 922 met de andere helft van de goederen, namelijk die in Kennemerland, beleend. Hij miste dus de grafkerk te Tiel. Naar gewoonte van zijn tijd en volgens aloude familietraditie, wenste hij ook een dynastieke grafkerk te hebben. Hij besloot te Egmond, het centrum van zijn nieuwverworven goederen, een klooster te stichten. Hierbij kwam misschien ook het feit dat de oude Adelbertskerk steeds meer afgelegen kwam te liggen en hij de oude bedevaartskerk door een nieuwe wenste te vervangen. Zijn oog viel op een duinrug in het oude Hallem ten oosten van de oude kerk, waar ook de bevolking steeds meer naar toe trok. Het lichaam van Sint-Adelbert werd in een plechtige processie naar de nieuwe kloosterkerk overgebracht waar kloosterzusters het met gepaste eerbied zouden omringen. Uit het lege graf ontsprong een bron die de oude bedevaartspiaats een nieuwe impuls gaf. Het nieuwe kloostertje was van hout, ook de kerk. Hoe kon het ook anders midden in een land waar geen stuk natuursteen te vinden was. Maar de tijden gaan voort en de mensen rusten niet. Rond het midden van de tiende eeuw, toen graaf Dirk I zijn goederen naliet aan zijn zoon Dirk II, had deze reeds zoveel connecties in het buitenland, in Vlaanderen en Duitsland, dat hij, zij het met veel moeite en kosten, steen kon bemachtigen om minstens een kerk van steen te kunnen bouwen. Dit was een belangrijke verbetering, ook op politiek gebied. De kerk moest immers tevens als burcht kunnen dienen in tijden van nood. Dirk en zijn beginnend graafschap leefden als het ware op een eiland tussen de omringende onbeschaafde bevolking die de oude Friese tradities van onafhankelijkheid en vechtlust van tijd tot tijd weer deed herleven. Dit bleek voor Egmond nog steeds risico’s in te houden. Was het gevaar groter geworden dan ten tijde van Dirk I ? We weten het niet. In ieder geval trok de zoon de consequenties en verving de nonnen door monniken, uit de Sint-Pietersabdij te Gent. De eerste abt was Wonobold. De jonge abdij mocht zich al spoedig in een grote belangstelling verheugen, met name in die van Egbert, zoon van Dirk II, rijkskanselier van het Duitse rijk en aartsbisschop van Trier. Deze was opgevoed in de kloosterschool te Egmond en heeft zijn eerste leermeesters niet vergeten. Vele kostbare kerksieraden en boeken werden als gift van deze bisschop vermeld. Dit was ook het geval met de eerste graven van Holland. Uit de aard der zaak was het hun plicht te zorgen dat de nonnen en later de monniken een redelijk levensonderhoud hadden. Het klooster werd dan ook zo goed mogelijk van goederen en land voorzien, waaruit het de inkomsten kon trekken die het nodig had. Praktisch werd de hele grafelijke villa Arem en die van Rinnegom hiertoe bestemd. De graaf droeg zijn heerlijke rechten aan de abten over, die in zijn naam en met behoud van de civiele constitutie deze rechten uitoefenden. Latere schenkingen hebben deze rechten beter gespecificeerd en ook het grondbezit steeds meer uitgebreid. We mogen aannemen dat de jonge abdij een belangrijke rol heeft gespeeld bij de wording van het graafschap Holland. We behoeven ons alleen maar voor te stellen wat in een heel ptimitieve en onderontwikkelde omgeving een klooster met een aantal goed onderlegde mannen betekend moet hebben. Als grondbezitters hebben de kloosterlingen er op toegezien dat hun grond zo nuttig mogelijk werd bewerkt, dat de verhuurde gronden niet verwaarloosd werden, dat de waterhuishouding degelijk werd gevoerd. Maar ook op geestelijk gebied konden de monniken, door de hun toevertrouwde parochies van goede geestelijken te voorzien, invloed uitoefenen. Tenslotte werden in de kloosterschool en in de school van het dorp kinderen onderwezen in de kunst van lezen en schrijven. Maar ook in het bestuur van het graafschap zelf hebben de monniken een beslissende rol gespeeld. Het is bijvoorbeeld helemaal niet zeker dat de graaf zelf lezen en schrijven kon. Voor dergelijke dingen moest hij een beroep op klerken doen en in dit geval op de kloosterlingen van zijn abdij. Dezen stelden dan ook de oudste geschiedenis van het graafschap te boek, al was het dan altijd gezien vanuit het gezichtspunt van de abdij. Maar als men de rol van de abdij in die eerste tijden beziet, lijkt dat ook niet al te ongewoon. Met de tijden is de abdij en haar invloed gegroeid. In de twaalfde eeuw werd de kerk opnieuw in steen opgetrokken en de 7de oktober 1143 plechtig ingewijd. Dit feit wordt in de tegenwoordige abdij nog steeds herdacht doordat ook de huidige kloosterkerk op 7 oktober, en wel van het jaar 1954, is ingewijd. Niet lang daarna werden ook de woongebouwen van de oude abdij in steen herbouwd en langzamerhand nam de abdij de vormen aan waarvan de latere afbeeldingen van ‘De abdij in welstand’ getuigen. Ook haar geestelijke en culturele invloed groeide. Meer dan vijfentwintig parochiekerken waarvan de pastoor door de abt benoemd of voorgedragen werd, maakten de abdij tot geestelijk centrum in het bisdom Utrecht. De vele opdrachten aan kunstenaars en bouwmeesters om kerk en klooster te verfraaien bevorderden het cultuurleven in de wijde omgeving. De algemeen geroemde bibliotheek was een middelpunt van studie en wetenschap, vooral toen in de zestiende eeuw bij de opkomst van het humanisme de klassieke schtijvers weer in het middelpunt van de belangstelling kwamen te staan. Hun werken vond men in de abdijbibliotheek. Tenslotte maakten de bijna 3000 hectaren grond die de abdij bezat en waarvan de pachters en leenmannen afhankelijk waren van de abdij, deze tot de voornaamste grootgrondbezitster in Holland. Heel wat ontginningen, dijkaanleg en grondverbetering zijn er op instigatie of minstens met medeweten en goedkeuting van de abten tot stand gebracht.» (12).
«IN 922 SCHONK koning Karel de Eenvoudige aan graaf Dirk I de kerk te Egmond met alle daarbij behorende goederen gelegen tussen Suuithardeshaga, Fortrapa en Kinnem. (b1) Koch heeft op goede gronden aannemelijk gemaakt, dat inderdaad de kerk met de bijbehorende goederen is geschonken en niet zoals Oppermann veronderstelde alleen de goederen tussen de genoemde grenzen. (b2) De kerk te Egmond moet wel het godshuis zijn, dat op de zogenaamde Adelbertusakker was gelegen. (b3) Hier bij deze plek heeft de nederzetting Egmond gelegen, een onderdeel van het grotere Arem. Omstreeks 925 heeft Dirk I ten oosten van Egmond op korte afstand daarvan te Hallum een nonnenklooster gesticht. (b4) Naar dit klooster, oorspronkelijk gewijd aan St. Petrus (b5), liet deze graaf de relieken van St. Adelbert overbrengen. Laatstgenoemde heilige was oorspronkelijk (ca. 740) te Egmond begraven en men had boven zijn graf een gedachtenis kerk opgericht. Door deze overbrenging kreeg het klooster de naam Egmond en is de abdij, mogelijk ter gelegenheid van de bouw van de tweede kloosterkerk omstreeks 950, gewijd aan St. Adelbert. De naam Egmond heeft zich verder uitgebreid. Het dorp bij het kasteel van “de advokaten” van het klooster kreeg de naam Egmond op den Hoef en in de 12de/13de eeuw ontstond op de inmiddels gevormde nieuwe duinen de vissersplaats Egmond aan Zee. De naam Egmond heeft zo op den duur de oudere naam Arem verdrongen. (b6) Hallum vormde een onderdeel van Arem. Egmond. Dirk I zal de in 922 verkregen kerk met goederen ter beschikking van het nieuwe klooster gesteld hebben. (b7) Het oorspronkelijke Egmond bij de Adelbertusakker lag in de 8ste/9deeeuw zeer gunstig. Hier stroomde de hoofdrivier, van Kennemerland, de Kene (?) (b8), in zee. Op korte afstand voegden zich twee grote zijrivieren, de Schermer en de Beemster, ten zuiden van Limmen bij deze hoofdrivier. Bij de oude kustgouwen doet zich namelijk het verschijnsel voor, dat het gebied hiervan samenvalt met het stroomgebied, of een deel hiervan, van een rivier met zijn zijtakken. Bij de Rijn bijvoorbeeld is het uiteraard een deel hiervan. Later is wat Kennemerland betreft door een inbraak van de zee bij de Zijpe de Rekere aangetapt en heeft de stroomrichting zich hier omgekeerd. De Rekere was aanvankelijk een zijrivier van de Schermer. (b9) Bij een dergelijk strategisch punt als Egmond was, verwacht men, zoals Blok elders geconstateerd heeft (b10), veel koningsgoed. Deze bezittingen zullen voor een deel in handen geraakt zijn van de graven, indertijd aangesteld als zetbazen van de Karolingers. De belangrijkheid van de omgeving van Egmond in vroeger tijden wordt onderstreept door herinneringen aan de heiligen Willibrord en Adelbert en aan Rorik de Noorman (b11), ja mogelijk zelfs aan Radboud. (b12) Het is een opmerkelijk feit, dat van een schenking te Egmond door Dirk I van landerijen aan het door hem gestichte klooster niets bekend is. Pas Dirk II, Geldulf en anderen (b13) doen schenkingen hier. Maar dit is bij lange na niet genoeg om, zoals later blijkt, het gehele gebied tussen Wimmenum en Zuid-Arem te bezitten, d.w.z. Rinnegom en Noord-Arem. (b14) De konklusie moet dan ook zijn, dat één van de grootste bezittingen van de kerk van Egmond bij deze kerk in de buurt lag, wat trouwens wel voor de hand ligt. Buren. Een van de genoemde grenzen is Kinnem. Met Oppermann (b15) ben ik van mening, dat hierin Kinnum op Terschelling gezocht moet worden. Naar deze plaats is één van de acht hemmerikken, de op één na westelijkste op het eiland genoemd. De noordelijkste bezitting van de Egmondse kerk tussen de genoemde drie grenzen moet dus gezocht worden in Westerschelling, daar anders het Vlie of een zuidelijker gelegen scheiding wel als grens genoemd zou zijn. In het dorp Westerschelling komt de naam Buren (Grote Buren) voor, terwijl Kinnum ook wel Kleine Buren heette. (b16) In dit Buren gaf Geldulf een hoeve aan het klooster Egmond. Hatto, een broer van Geldulf, heeft zich hiervan meester gemaakt. Ook de door Dirk I geschonken hoeve over het Vlie gelegen, waarschijnlijk dus in Buren, is aan de macht van het klooster onttrokken. Dirk II geeft voor deze laatste hoeve compensatie in de vorm van land te (Oude) Niedorp. (b17) De schenkingen van Dirk I en Geldulf waren vermoedelijk een uitbreiding van het Egmondse bezit te Buren. Hatto heeft zich waarschijnlijk meester gemaakt van het familiebezit op Terschelling. (b18) Wieringen. Ook voor Fortrapa ga ik nu met Oppermann (b19) mee, die Vartrop op Wieringen hiermede gelijk stelde. Een aanwijzing, dat het klooster Egmond hier in de buurt land bezat, zie ik in de mededeling, dat zekere Wiro uit Wiringheest 13 ons uitbetaalde (b20), om daarmee een deel van het kloosterland te kopen. Van een schenking is niets bekend., zodat dit land mogelijk bij het bezit uit 922 behoorde. Volgens Blok (b21) is Wiringheest gelijk te stellen met Oud Gest bij Vartrop, maar de gronden hiervoor zijn m.i. zwak. Wiringheest kan de geest (het bouwland) van de villa (buurschap) Wiron zijn, die omstreeks 842 genoemd wordt. (b22) Het eiland Wieringen kan genoemd zijn naar de villa Wiron, zoals het landschap Tokingen naar Dokkum. Daar de hoofdkerk van Wieringen te Hippolytushoef stond, ben ik geneigd Wiron-Wiringheest hier te plaatsen en wel in de buurschap Burch, een onderdeel van Hippolytushoef. (b23) Gezien de naam was hier mogelijk een vluchtburcht evenals in Den Burg op Texel. Deze buurschap Burch ligt dichtbij Vartrop, maar aan de Egmondse kant. Suuithardeshaga. Over de derde grens Suuithardeshaga is veel te doen geweest. Koch (b24) geeft hier een uitvoerig relaas over. Deze naam wordt ook genoemd in een oorkonde van 889. (b25) Gerulf, de vader van Dirk I, krijgt in dat jaar onder andere tussen de Rijn en Suuithardeshaga, in zijn graafschap, in de plaatsen, “Nordcha et Osprehteshem” genoemd, een bos en een stuk bouwland. Nordcha is Noordwijk. Dit wordt versterkt door het noemen van Osprehteshem, want deze plaats komt ook voor in het zogenaamde St. Maartensregister, waarin plaatsnamen uit 800 n. Chr. of vroeger genoemd worden. (b26) Hier ligt Osprehteshem, gezien de geografische volgorde van de plaatsnamen in het register, ook dicht bij Noordwijk. In een lijst van huren uit ca. 1225 van het klooster Egmond, worden Noordwijk en Soperinghova in een adem genoemd. (b27) Taalkundig zouden de namen Osprehteshem en Soperinghova wel eens iets met elkaar te maken kunnen hebben. De schenking omvat waarschijnlijk een deel van de geest van Noordwijk (het bouwland) en het daarbij behorende aandeel in het bos, de Noordwijker hout. Suuithardeshaga moet als grens gezien min of meer evenwijdig aan de Rijn gelopen hebben, daar er anders niets “tussen” kon liggen. Een gouwgrens was het niet, want dan had men Kennemerland zelf kunnen noemen. De “haga” moet ten zuiden van dit land gelegen hebben, daar het niet waarschijnlijk is, dat bij Noordwijk behorend gebied in twee gouwen lag. Zijn er nu bezittingen van Egmond aan te wijzen op korte afstand ten noorden van Suuithardeshaga ? Volgens de overlevering heeft Dirk II de nonnen van Egmond overgebracht naar Bennebroek en monniken in het klooster geplaatst. (b28) Dit vraagt als het ware om landbezit bij Bennebroek. (b29) Omstreeks 1150 stelt graaf Dirk de abdij land te Bennebroek, afkomstig van Wilhelmus Kinnebacke, ter beschikking in ruil voor gronden te Velsen. (b30) Was dit land te Bennebroek vroeger bezit van het nonnenklooster ? Te Sassenheim verhuurde de abdij land voor ongeveer 3 pond. Het bezit van dit land is niet uit een bekende schenking te verklaren. (b31) Het is theoretisch mogelijk, dat deze gronden tussen Suuithardeshaga en Kennemerland lagen, daar Lisse vroeger onder Sassenheim ressorteerde. (b32) Zo heb ik getracht aan de Egmondse kant van de drie genoemde grenzen enig abdijbezit aan te wijzen, welk bezit dan van vóór 922 kan dateren. De plaats Egmond ligt daarbij ongeveer in het midden, hetgeen voor mij een aanwijzing is, dat het “goed zit” met de interpretatie van genoemde grenzen. Uit ca. 1225 dateert een lijst van landhuren, die de pachters van de abdijgronden opbrachten. (b33) Trekt men de bekende schenkingen hiervan af en houdt men rekening met vervreemding, dan blijft er “een residu” over, wat zeer goed een deel van het bezit uit 922 kan aanduiden. Gaan wij dit nu aan de hand van deze lijst na : Oude Niedorp. Huur van bezittingen uit Oude Niedorp komt niet in genoemde lijst voor, maar voor de volledigheid moet deze plaats toch behandeld worden. Graaf Dirk II geeft compensatie voor het landverlies van een door zijn vader geschonken hoeve te Buren in de vorm van 1 1/2 hoeve te Nienthorp. Met nog een halve hoeve bracht dit land een huur op van 3 pond. (b34) Egmond bezat derhalve in Oude Niedorp al een halve hoeve, waarvan geen verder bericht is overgeleverd. Oudorp. Een zeer belangrijke huursom van 18 pond en 12 hoed kreeg de abdij uit Oudorp. Een hoed had een waarde van ongeveer 1/2 ons, zoals blijkt uit landhuur te Schermer. De opbrengst te Oudorp kwam dus overeen met ongeveer 18 pond 6 ons. Een schenking van enig land hier door “domnus Gherbrandus” staat tegenover de verkoop onder abt Walter (1129-1161) van land met een huuropbrengst van een pond en onder abt Franco (1182-1206) met dezelfde opbrengst. (b35) Blijft over een belangrijk bezit, dat ongeveer 20 pond opbracht, goed voor een bezit van 10 hoeven, zo niet meer. Hierbij heb ik de huuropbrengst van hoeven te Vronen als maatstaf genomen. (b36) Mijzen. Uit deze plaats kreeg de abdij een landhuur van 16 ons en 10 hoed, dat wil zeggen ongeveer 21 ons. Door abt Walter werd land verkocht met een opbrengst van 7 ons. (b37) Het oorspronkelijke bezit bracht dus een huur op van 28 ons. Hier bezat het klooster ongeveer 1 à 2 hoeven. Schermer. Hier bedroeg de huur 22 ons en 15 hoed, wat gelijk stond aan 62 hoed. Abt Adalard (1105-1120) verruilde in deze plaats land met een opbrengst van 16 ons tegen land te Alkmaar en Limmen gelegen, terwijl abt Walter land met een huuropbrengst van 3 ons verkocht. (b38) Vóór deze transakties was de huur 29 + 16 + 3 = 48 ons = 4 pond 8 ons. Het Egmondse bezit te Schermer besloeg naar schatting 3 hoeven. Graft. Abt Adalard verruilde hier 53/4 hoeve met een opbrengst van 11 pond 2 1/2 ons. (b39) Er bleef nog land over, dat 3 ons huur gaf. Het totale bezit bedroeg hier ongeveer 6 hoeven. Oosthuizen. Graaf Dirk II schonk ten oosten van de rivier Bamestra een hoeve, die een pond aan landhuur per jaar opbracht. (b40) Uit latere mededelingen blijkt, dat deze hoeve te Oosthuizen gelegen was. (b41) De huur die hier opgebracht werd in het begin van de 13de eeuw was veel hoger : 11 pond en 15 ons. Dit land hier is verruild tegen gebieden in Akersloot en Uitgeest. Verminderen wij de huur met die van de hoeve van Dirk II, waarbij aangenomen is, dat de huren gelijk gebleven zijn, dan blijft er 1 1/2 pond over. Gezien de huur van de grafelijke hoeve kan dit de pacht geweest zijn voor eveneens 1 1/2 hoeven, een zeer belangrijk bezit. Kwadijk. Dit dorp heette vroeger Drei naar de bovenloop van de veenrivier de Purmer Ee. (b42) Aanvankelijk kreeg de abdij hier een huur van 10 pond, later teruggebracht tot 6 pond per jaar. Houden wij hier dezelfde norm aan als bij Oosthuizen, dan is deze pacht goed voor een bezit van 10 hoeven ! Heiloo-Limmen. Er volgen nu enige niet geïdentificeerde landerijen, die mijns inziens onder Heiloo of Limmen thuishoren. Het zijn Gestichin, Athelhilt, Brochingelant, Magchanchelant en Tietgerdemade, met respektievelijk huren van 10 ons, 10 ons, 7 ons, 8 ons en 3 ons, samen 3 pond 8 ons. Dit kan de opbrengst zijn van een gebied van ongeveer 4 hoeven. Dorregeest. In Dorregeest, ten noorden van Uitgeest gelegen, werd een huur opgebracht van 3 ons 9 d., mogelijk voor een halve hoeve. Schoorl. De lijst van opbrengsten vermeldt voor Schoorl 6 ons. Nu ruilt abt Lubbert (1206-1226) grond te Schoorl en Aagtdorp met huren respektievelijk van 6 ons en 7 ons tegen grond te Assendelft. Aangezien de pacht van Aagtdorp niet in de lijst voorkomt, lijkt mij de 6 ons van Schoorl afkomstig van een andere bezitting. In de tijd van abt Walter (1129-1169) is sprake van goed te Schoorl ook met een opbrengst van 6 ons. (b43) Mogelijk slaat de huur van de lijst op dit gebied van omstreeks een hoeve. De huren op de geestgronden zijn vaak lager dan die op de veengronden, waarbij de variaties tussen voedselrijke en voedsel arme veengronden aanzienlijk kunnen zijn. Bergen. Uit Bergen kreeg de abdij een opbrengst van 1 pond. Bekend is alleen een schenking van Ratther en zijn vrouw van land met een opbrengst van 6 d., een in dit kader te verwaarlozen donatie. In dit dorp was het Egmondse bezit toch wel een hoeve groot. Hiermede is de vergelijking tussen de lijst van 13de-eeuwse landhuren en de bekende schenkingen voltooid, wat betreft het gebied binnen de in de oorkonde van 922 genoemde grenzen. Koch maakt mijns inziens de zeer juiste opmerking : “Men moet dit ook minder zien als een begrenzing van het kerk- subs. kloosterbezit van Egmond dan wel als een begrenzing van het gebied waarbinnen dit bezit aan Diederik I werd toegewezen”. (b44) Bezittingen van Egmond buiten genoemde grenzen, waarvan geen schenkingen bekend zijn, lagen te Maasland (9 hoeven), Westerlee (3 hoeven) (b45), Schipluiden (opbrengst 20 pond) (b46) en Ruiven (opbrengst 16 pond). (b47) Al deze landerijen kunnen ook zeer wel tot het bezit van de Egmondse kerk in 922 behoord hebben. Mogelijk zijn ze in of na 985, toen Dirk II goederen tussen de rivieren de Lier en de Hollandse IJssel in handen kreeg 48, door deze aan de abdij gerestitueerd. Het blijft niettemin vreemd, dat dit feit dan niet gememoreerd is. Verwaarlozen wij de kleine gebieden, dan blijven behalve bij de in de oorkonde genoemde grenzen toch altijd nog belangrijke bezittingen over te Egmond, Oudorp, Limmen-Heiloo, Graft, Oosthuizen en Kwadijk en verder eventueel bij Maasland, Westerlee, Schipluiden en Ruiven. De eerste vier plaatsen liggen op geestgrond en kunnen daarom oude nederzettingen zijn, maar de andere liggen in het veen. Kunnen nu deze “veenkoloniën”; reeds in de 8ste/9de eeuw bestaan hebben ? In de Dreyster wouden (Kwadijk) zijn vondsten gedaan uit de 9de en 10de eeuw. (b49) Dicht hierbij ligt Oosthuizen, waar in 1324 vroonlanden worden genoemd. (b50) Het woord vroon kan op koningsgoed wijzen (b51), hetgeen op de Karolingers zou duiden. Deze kunnen de goederen verkregen hebben bij de ontginning rechtens het wildernisregaal, maar ik wil de mogelijkheid van confiscatie van het bezit van Radboud (na 719) niet uitsluiten. Dit zou er op kunnen duiden, dat sommige ontginningen hier uit de 7de/8ste eeuw zouden stammen. Bij Texel zijn dergelijke oude ontginningen wel aanwijsbaar. (b52) Niedorp bestond reeds, zoals wij boven gezien hebben, in de 10de eeuw. De naam wijst er op, dat er oudere plaatsen in de buurt waren : Moerbeek en wat er onder de klei van Barsingerhorn gezeten heeft. De overlevering, dat Werenfried hier in deze buurt gepredikt zou hebben, zou dan wel eens op waarheid kunnen berusten (b53), evenals de overlevering, dat Radboud iets met Medemblik te maken had. Archeologisch zijn deze veenstreken met uitzondering van de Zaanstreek helaas nog zeer slecht onderzocht. De mogelijkheid, dat enkele van de genoemde gebieden toch na 922 verkregen zijn, is natuurlijk niet uitgesloten, evenals het feit, dat diverse gebieden vervreemd zijn zonder een spoor na te laten. Maar, dat het bezit van de Egmondse kerk reeds in 922 vrij belangrijk was, lijkt mij wel zeker.» (13).
Noten
b1. A.C.F. Koch, Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot I299, dl. I, ’s-Gravenhage (1970), p. 44 e.v.
b2. O. Oppermann, Fontes Egmundenses. Utrecht (1933), p. 104* e.v.
b3. J. Hof, De abdij van Egmond van de aanvang tot I573. ’s-Gravenhage (1973), p. 22. H. Halbertsma, De Willibrordsput te Heiloo, opgravingen en historische achtergronden. Alkmaars Jaarboekje, III (1967), p. 41-64, hier p. 54. J. Hof, De Buurkerk te Egmond. Alkmaars Jaarboekje. IV (1968), p. 119-128, hier p. 119.
b4. J. Hof, Abdij, p. 22.
b5. I.H. Gosses, De vorming van het graafschap Holland, in Verspreide Geschriften. ’s-Gravenhage (1946), p. 239-345, hier p. 286.
b6. J.K. de Cock, Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag. Groningen (1965), p. 167.
b7. A.C.F. Koch, Oorkondenboek, p. 48.
b8. J.K. de Cock, Kennemerland, krt. achter p. 288. Een aanwijzing, dat deze rivier, waarvan de resten nu Die genoemd worden, Kene heette, zie ik in de poldernaam Sien bij Assum onder Uitgeest. Sien kan een gepalatiseerde vorm zijn van Kien, Keen. Zie H.J. Moerman, Nederlandse Plaatsnamen, een overzicht. Leiden (1956), p. 123. De uitmonding bij Egmond heb ik nu aanvaard op gezag van Zagwijn; zie W.H. Zagwijn, De ontwikkeling van het “Oer IJ” estuarium en zijn omgeving. Westerheem, XX (1971), p. 11-19, hier p. 17. J.K. de Cock, De wateren rond Egmond van de Romeinse tijd tot omstreeks 1300. Alkmaars Jaarboekje, III (1967), p. 124-129.
b9. L.J. Pons en en M.F. van Oosten, De bodem van Noordholland. Wageningen (1974), p. 28 en p. 49, fig. 22A.
b10. D.P. Blok, De Franken in Nederland. Bussum (1974), p. 78.
b11. H. Halbertsma, Willibrordsput.
b12. P.S.A. Kikkert, Het Radboudskerkhof. Westerheem, VI (1957), p. 80-83.
b13. O. Oppermann, Fontes, p. 61, 63.
b14. J.K. de Cock, Kennemerland, p. 168.
b15. O. Oppermann, Fontes, p. 105*.
b16. A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, dl. II, Gorinchem (1840), p.829.
b17. O. Oppermann, Fontes, p. 61, 63.
b18. Mogelijk is Hatto de in het midden van de 10de eeuw uit Nifterlake en Teisterbant verdreven graaf Hatto, die mogelijk een zoon was van graaf Waldger, de oudere broer van Dirk I. Geldulf was dan een neef van Dirk II. Vergelijkt men de bezittingen van Geldulf met die van Dirk I, dan valt op, dat die van eerstgenoemde liggen in plaatsen, waar ook Dirk bezittingen had. Ook dit wijst op familiebetrekkingen. Hatto heeft dan na zijn vlucht waarschijnlijk beslag gelegd op het familiegoed te Buren. Zie voor Hatto : P.G.F. Vermast, De Heeren van Goye. Ned[erlandsche]. Leeuw, 66 (1949), p. 259-313. D.P. Blok, Iets over de geschiedenis van Nifterlake. Jaarboekje van het Oudheidk[undig]. Gen[ootschap]. “Nifterlake” (1962), p. 1-21. De juistheid van de veronderstelling van Blok, dat Hatto geen zoon van Waldger was, betwijfel ik. Omstreeks 1000 komt ook nog een Geldulf voor met zijn zoon Walker (A.C.F. Koch, Oorkondenboek, nr. 65).
b19. O. Oppermann, Fontes, p. 105*.
b20. Ibidem, p. 81.
b21. D.P. Blok, De oude namen van Wieringen. West-Frieslands Oud en Nieuw XXIX (1962), p. 86-97, hier p. 93.
b22. A.C.F. Koch, Oorkondenboek, nr. 17.
b23. J.K. de Cock, Beverhem-Beverwijk ? Med[edelingen]. van de Ver[eniging]. voor Naamkunde, XXXV (1959), p.31-33.
b24. A.C.F. Koch, Oorkondenboek, nr. 21 en 28.
b25. Ibidem, nr. 21.
b26. D.P. Blok, Het goederenregister van de St. Maartenskerk te Utrecht. Med[edelingen]. van de Ver[eniging]. voor Naamkunde, XXXIII (1957), p. 89-105.
b27. O. Oppermann, Fontes, p. 74.
b28. J. Hof, Abdij, p. 24.
b29. J.W. Groesbeek, De geschiedenis van Bennebroek, Bennebroek-Vogelenzang, Bijdragen tot de geschiedenis en volkskunde van een voormalig Blekersdorp (red. van Tj.W.R. de Haan). Neerlands Volksleven, nr. 4, jrg. XV (1965), p. 7-40.
b30. O. Oppermann, Fontes, p. 88.
b31. Ibidem, p. 75.
b32. J.K. de Cock, Kennemerland, p. 59.
b33. O. Oppermann, Fontes, p. 74.
b34. Ibidem, p. 63, 64.
b35. Ibidem, p. 65, 74, 86,91.
b36. Ibidem, p. 61.
b37. Ibidem, p. 85.
b38. Ibidem, p. 76, 85.
b39. Ibidem, p. 76.
b40. Ibidem, p. 62.
b41. J. K. de Cock, Kennemerland, p. 192.
b42. Ibidem, p. 194.
b43. O. Oppermann, Fontes, p. 88.
b44. A.C.F. Koch, Oorkondenboek, p. 48.
b45. O. Oppermann, Fontes, p. 223.
b46. Ibidem, p. 75.
b47. Ibidem.
b48. A.C.F. Koch, Oorkondenboek, nr. 55.
b49. P.S.A. Kikkert, Raadselen rondom "Oud-Raefeldam". Westerheem, XI (1962), p. 109-117.
b50. J.K. de Cock, Kennemerland, p. 194.
b51. D.P. Blok, De Franken, p. 76.
b52. J.K. de Cock, Beverhem.
b53. J.K. de Cock, Veenontginningen in West-Friesland. West-Frieslands Oud en Nieuw, XXXVI (1969), p. 154-172, hier p. 160.
|