VorigeDe mythe van de ‘Hollandse Graven’Volgende

Inleiding

Inhoud van deze pagina

  1. Het probleem en de uitdaging
  2. Historisch methode en bronnenkritiek
    Noten

1. Het probleem en de uitdaging

Hoewel het graafschap Holland in 862 zou zijn ontstaan onder de knoet van de Noorman Rorik is Floris (II, de Vette) de eerste die in 1101 in een oorkonde als graaf van Holland wordt vermeld, dat wil zeggen na meer dan tweehonderd jaar van grafelijke geschiedenis (1). Vandaar zou het zelfs teruggaan tot het jaar 678 als graafschap, hertogdom en in den beginne zelfs als koninkrijk.

De historicus prof. dr. P. Geyl, die over het hele Nederlandstalige gebied schreef, zwijgt in zijn Geschiedenis van de Nederlandse stam (1930) liever zoveel mogelijk over de voorgangers van Floris.

“Onze nationale geschiedschrijver”, Robert Fruin, geeft de indruk dat de Hollandse (en Friese) geschiedenis pas begint met de aanloop tot de tachtigjarige oorlog. Over de eerdere periode laat hij zich nauwelijks uit, meest van al omdat er zo weinig over te zeggen valt. Meest uitvoerig nog in Geschiedenis der Staatsinstellingen in Nederland tot den val der Republiek :

«Oude gouwnamen in de latere provincie Holland zijn o.a. Kinhem (Kennemerland), Rinlant, Masalant. Omstreeks 885 vinden wij een graaf Gerolf van Kennemerland met de kustverdediging tegen de Noormannen belast. Zijn zoon Diederik (Dirk) is de stichter der abdij Egmond. Hun goederen lagen meest om Haarlem. Een der opvolgers, Dirk II, verkrijgt in 985 van keizer Otto II groote bezittingen en rechten in Maasland en in Westfriesland (de eilanden die Kennemerland ten oosten en noordoosten omgeven); Rijnland moet reeds te voren in hun macht gekomen zijn. De rechten op Westfriesland zijn echter gemakkelijker te vergeven dan in bezit te nemen; de zoon van Dirk II sneuvelt tegen de Westfriezen, als hij ze wil onderwerpen. Van den naam Holland is dan nog geen sprake; men vindt deze graven aangeduid als “graven, markgraven in Friesland” (comites, marchiones in Fresia); Friesland was nog een algemeene naam voor de lage kuststrook van de Schelde tot den Wezermond. – Dirk III neemt in 1015 bezit van een drassige streek aan den benedenloop der Merwede (oudtijds ook de naam voor de wateren die thans de Noord en de Nieuwe Maas heeten), waar hij een burcht bouwt (te Vlaardingen) en tol heft; later wordt dit bezit uitgebreid tot de streek hooger op aan de Merwede, waar Dordrecht ontstaat (dat voor de eerste maal genoemd wordt in 1049). Naar den naam van deze laatstgenoemde streek, Holland (= broekland?), hebben de latere graven hun graafschap genoemd; het is Dirk V die op het eind der 11de eeuw het eerst als comes Hollandiae voorkomt. Maasland, Rijnland, Kennemerland heeten voortaan Noord-Holland, het oorspronkelijke Holland heet weldra Zuid-Holland. – Al sedert de 10de eeuw hadden de latere graven van Holland bezittingen op Schouwen. Van de Zeeuwsche eilanden (onder den naam Zeeland zijn dan tevens de tegenwoordige Zuidhollandsche eilanden begrepen) zijn die beooster-Schelde spoedig aan hun gezag onderworpen geweest; over die bewester-Schelde (Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Borselen en Wolfaartsdijk) voerden zij een langen strijd met de graven van Vlaanderen, die eerst in 1323 voor goed ten voordeele van Holland werd beslist, toen de graaf van Vlaanderen deze eilanden in vollen eigendom aan Willem III van Holland afstond. Intusschen had Floris V reeds den titel aangenomen van graaf van Holland en Zeeland. Dezelfde graaf heeft eindelijk de Westfriezen geheel onderworpen, en zijn land ten koste van het bisdom Utrecht vergroot, door leenmannen van het Sticht, de heeren van Amstel en van Woerden, te noodzaken hun land aan hem over te leveren om het daarna van hem in leen te mogen houden, en door den bisschop te dwingen tot afstand van Oudewater, Bodegraven, Muiden, Weesp en Diemen. Naarden had hij tevoren van de abdij Elten aangekocht. In 1357 is nog het tot Brabant behoorende Heusden bij verdrag aan Holland overgegaan.» (2).

Hij vat het sprookje samen maar deed er zelf duidelijk geen onderzoek naar en geeft ook geen enkele bron. Gerolf bijvoorbeeld wordt in geen enkele bron in verband gebracht met iets dat ook maar in de verste verte op Kennemerland lijkt.

Het gaat hier niet in de eerste plaats om het opruimen van alle wartaal die er over de Hollandse graven is gebezigd; het gaat vooral om de eenvoudige vraag : zo ze al bestonden, waar bevonden ze zich dan ?

Dr. D.P. Blok ging in de eerste druk van zijn boekje De Franken (1968) maar helemaal aan ze voorbij, maar in de derde en laatste druk (1979 : De Franken ... in Nederland !) – zou hij klachten hebben gehad ? – durft hij ons iets meer te onthullen :

«Over de graven wil ik kort zijn, daar ons land hierover weinig belangrijk materiaal biedt. Er wordt in de bronnen een reeks graven genoemd, die in streken van ons land gedetacheerd waren, tot in Friesland aan toe, maar met die losse vermeldingen is niet veel aan te vangen. Ik noteerde tot ca. 850 de volgende namen : 714 Chamming in Midden-Limburg (?), 721-22 Ebroïn in de Duffelgouw ten oosten van Nijmegen, 754 Abba in Oostergo (*), 777 Wigger in Eemland, 800 Wrachar bij de Gelderse IJsel, 820 Deodericus ergens in Friesland, 822-842 Gerhart in Westergo, Wiccing ergens in Friesland, 825-830 Nordalah ergens in Friesland, 837 Eggihart op Walcheren, 838 Rodgar in de Liemers (?), 855 Wigman in Hamaland en Ansfried in de Betuwe. Leden van grote rijksaristocratische families herken ik er niet in; Wigman en Ansfried kunnen waarschijnlijk met latere geslachten in verband worden gebracht, maar verder blijft alle combineren gratuit.» (3).
*) De Vita Bonifatii, ed. W. Levison blz. 56, zegt dat hij het ambt van prefect had; Levison, Westdeutsche Zeitschr[ift]. f[ür] Geschichte und Kunst XXVII (1908) blz. 498 noot 2, toont aan, dat hiermee het gravenambt bedoeld is.
«Pas in de Noormannentijd, als het rijksgezag hier tijdelijk eclipseert, zullen eigengereide baasjes als Gerulf in Holland en Waldger in Teisterbant naar voren komen.» (4).

Dat is inderdaad wel érg weinig en wat er staat klopt ook nog van geen kanten. Om te beginnen : ‘ons land’ heeft niet alleen weinig materiaal te bieden, maar zelfs helemaal niets tot aan de twaalfde eeuw. Hoezo waren graven ‘gedetacheerd’, en vanwaar dan wel ? Hoe ‘eclipseerde’ hier het rijksgezag ? Hoe kan het dat al de bronnen uit Noord-Frankrijk komen en uit Gent ? Op wie wordt in dit verband gedoeld met ‘rijksaristocratische families’, die zich veel zuidelijker bevonden en waaraan de graven zonder twijfel verwant waren ?

Het dient anders begrepen te worden : enerzijds het uitsluiten van ‘overdreven’ – want voor Holland en Friesland ten ene male onhoudbare – aanspraken; anderzijds toch nog proberen er voor Holland iets van te redden door de graven buiten hun ware omgeving tot een paar onbetekenende boeren terug te brengen. Dat is een spagaat die met een vijgeblad van een vierkante meter nog niet te valt te bedekken en het is de ‘methode Blok’ ten voeten uit : tussen neus en lippen door in het vage van alles beweren, maar zonder duidelijk te maken waar het eigenlijk over gaat en zonder de dingen bij hun naam te noemen.

In de literatuur is het omstreden of de oorsprong van de Hollandse graven in Friesland, West-Friesland dan wel in Kennemerland moet worden gezocht, maar het is duidelijk dat ze hun beroep eerst vooral uitoefenden in het noorden van Frankrijk, en daarna in Gent. Kijken we naar het archief van de graven van Holland dat zich in het Rijksarchief te ’s-Gravenhage bevindt dan zien we dat het oudste stuk pas uit 1204 is (5).

Werden alle Fresia-documenten aanvankelijk voor Friesland opgeëist, wat al in de negentiende eeuw leidde tot kritisch onderzoek naar de geschiedschrijving zelve, ze passen net zo min op West-Friesland, Kennemerland of Holland. Wat onder Fresia begrepen moet worden is zelfs uitgesmeerd over het hele gebied van Noordwest-Frankrijk tot Denemarken aan toe.

Kijken we omgekeerd naar wat voor Holland en Friesland nu eigenlijk vaststaat, bijvoorbeeld met betrekking tot zoiets fundamenteels als de dijkenbouw, dan lezen we het volgende :

«Directe gegevens, onwraakbare getuigenissen uit geschreven bronnen zijn er niet. De literaire overlevering leidt hoogstens tot de aanwijzing, dat er vóór het jaar 1000 ongeveer geen bedijkingen in dit zeekustgebied waren, althans geen omvangrijke bedijkingen, die als publieke werken vielen te beschouwen. Vroege documentatie blijkt tegen critisch onderzoek niet te zijn bestand. De befaamde akte van “1097” b.v., betreffende Ouderkerk in de Krimpenerwaard, is van het jaar 1287 en van graaf Floris V afkomstig. De kolonisatie van waterbouwkundige Nederlandse ontginners in de buurt van Bremen is eerst op het jaar 1106 te bewijzen. De IJ-dijk, die vóór 1018 bestaan zou hebben, berust op een fictief historisch fundament.» (6).

Dr. D.P. Blok voegt daar aan toe :

«Men neemt tegenwoordig algemeen aan, dat in Nederland vóór de 11de eeuw geen dijken van enige betekenis aangelegd waren [...]. Nu is het tegengaan van wateroverlast door het maken van dijken iets zo elementairs – zoals iedereen weet die wel eens op het strand heeft gespeeld – dat het wel gek zou zijn als men daar vóór de 11de eeuw niet opgekomen zou zijn: in Italië deed men dat al in de tijd van Horatius!» (7).

Dat is tenminste duidelijke taal ! Maar dan wordt de conclusie getrokken dat als er geen dijken waren er toch in ieder geval dijkjes (‘sclusa’) moeten zijn geweest (kinderwerk dus), hoewel ook die in het landschap niet kunnen worden aangewezen, de ‘sclusa’ natuurlijk geen dijkjes zijn maar sluizen (doorgaans aangelegd om watermolens draaiende te houden, in tegenstelling tot windwatermolens, die water omhoog pompen), en de akte waarin dat woord voorkomt geen betrekking op Holland heeft. Een tweede document, dat dr. D.P. Blok zelf omschrijft als ‘minder bewijskrachtig’, is een capitulare missorum die betrekking heeft op... Aquitanië, Orleans, Parijs en Rouaan, en waarin al helemaal geen dijken, laat staan dijkjes of zelfs maar ‘sclusa’ voorkomen.

De West-Friese omringdijk bijvoorbeeld wordt als geheel pas voor het eerst vermeld in 1320 en kan toen nog niet lang hebben bestaan (8). Maar zonder dijken stond volgens Rijkswaterstaat alles meters onder water. Het idee dat het maaiveld veel hoger moet hebben gelegen kan, vooropgesteld dat het juist zou zijn, alleen tot de gevolgtrekking leiden dat er een voornamelijk onbewoonbaar moerasbos was dat pas door afwatering en dijkenbouw werd ontgonnen en voor bewoning geschikt gemaakt.

Dat beeld wordt bovendien door de archeologie volkomen bevestigd : de Hollandse geschiedenis begint pas in de elfde eeuw, en dan nog alleen op de Zuid-Hollandse eilanden, en er is geen duidelijke continuïteit met eerdere bewoning.

In de traditionele opvatting beginnen de graven van Holland in Friesland, of in West-Friesland, of in Kennemerland, al naar gelang wie er schrijft, waarbij ze hun macht geleidelijk naar het zuiden uitbreiden. In werkelijkheid verloopt de historische beweging in precies omgekeerde richting : ze beginnen in de negende eeuw in het gebied ten westen van Béthune en rond Terwaan (Frans Thérouanne), ongeveer het gebied ten noorden van het huidige Artesië (Frans Artois), waar ze als graven van Fresia enig leengoed hebben. Vanaf 940 zijn ze in Gent te vinden temidden van dynastieke intriges. Rond 1018, na het pleit in Gent te hebben verloren, soppen ze met wisselend succes rond in het Merwede-gebied. In 1063 zouden ze geprobeerd hebben om in Egmond voet aan de grond te krijgen, voortdurend heftig betwist door de bisschop van Utrecht die beweerde datzelfde gebied van de Duitse keizer in leen te hebben terwijl de Hollandse graven zich beriepen op rechten die ze van de Franse koning zouden hebben ontvangen. Pas in het jaar van het uitsterven van het ‘Hollandse Huis’ (1299) wordt West-Friesland ‘bedwongen’, De oversteek naar Friesland wordt eerst in 1314 bekroond met het vestigen van enige heerlijke macht.

Volgen we de traditionalistische geschiedenis dan kunnen we ons er over verbazen dat de graven van Holland voortdurend bezig zijn hun eigen graafschap te veroveren of in leen te krijgen, waarbij ze telkens weer in slagen rechten kwijt te spelen vooraleer ze die hadden verworven.

2. Historische methode en bronnenkritiek

Hoe is het mogelijk dat de geschiedenis zo verkeerd is begrepen ? Bij de duiding van de bronnen van de abdij van Egmond uit de twaalfde en dertiende eeuw stond het idee voorop dat de ‘Hollandse graven’ altijd in Holland waren geweest, ook al zijn er geen andere documenten van vóór de twaalfde eeuw die hun aanwezigheid aldaar bevestigen en ook al komen alle andere documenten die hun bestaan bevestigen uit Gent of van nog verder weg. Waren de geschiedschrijvers begonnen met de oorkonden in plaats van met de rijmelarij van Melis Stoke (9), en hadden ze die van de oudste af aan behandeld, dan waren ze tot een geheel andere conclusie gekomen.

Er stelt zich een ander, methodisch, probleem. Geschiedschrijvers beginnen – tamelijk onvermijdelijk – in het heden en werken naar het verleden. Daarbij worden – terugkijkend – verbanden even onvermijdelijk gemakkelijk omgekeerd : het heden biedt een blik op het verleden. Als er bijvoorbeeld in Castricum in 1440 gegevens zijn over een huis Kronenburg en er wordt verder terug gezocht, dan is er al eerder sprake van een “huis” dat ál te gemakkelijk in verband wordt gebracht met het later “kasteel”. De juiste historische methode is alle gegevens te verzamelen zonder nog conclusies te trekken, en vervolgens van de oudste gegevens naar de nieuwere te werken. Dat blijkt dat het oude “huis” in 1316 een pastoorswoning werd, dus moeilijk een “kasteel” kan zijn geweest, en ook moeilijk – gezien de afstand – op de plaats van het latere “kasteel” kan hebben gestaan. Zolang er gezocht wordt van heden naar verleden zijn er “veronderstellingen” nodig, anders is er niets om naar te zoeken. Maar als het eerste onderzoek gedaan is moet er in omgekeerde richting worden gewerkt, en pas dan begint het “wetenschappelijke” werk.

Dan is er nog een niet alleen journalistieke, maar ook geschiedkundige deontologie die bestaat sinds David Strauss (1808-1874) : alvorens een feit als “feit” kan worden erkent, dienen er twee onafhankelijke bronnen te bestaan. Daar wordt voor de Middeleeuwen (maar niet alleen) behoorlijk de hand mee gelicht. Niemand kan op zijn woord worden geloofd. Als we in het alledaagse leven voortdurend gedwongen zijn mensen op hun woord te geloven, dan mogen we van een “wetenschappelijke” benadering net iets meer verwachten.

Maar de geschiedschrijving begint in de vijftiende eeuw niet met feiten of het verzamelen daarvan; veel belangrijker zijn nog altijd de moraallessen en het stellen van dynastieke pretenties waarvoor geschiedenis de stof biedt. Het zijn rijmelende hofschrijvers als Melis Stoke en Jacob van Maerlant die de vroegste geschiedschrijving tot ver in de negentiende eeuw beheersen. Het gaat meer om het verhaal en de aanmatigingen dan om de feiten. Het zijn vervolgens overwegend onafhankelijke bibliofielen en kritische boekhandelaars die oorspronkelijke bronnen belangrijker gaan vinden dan latere beweringen en die bewijsplaatsen beginnen te eisen voor beweringen.

Het is aan het begin van de veertiende eeuw, nog voor de humanistische geschiedschrijving begint, dat de voorvaderlijke geschiedenis van de graven van Holland van het gebied ten noorden van Artesië naar de grens tussen Kennemerland en West-Friesland wordt overgebracht. In de oudste Egmondse bronnen worden tal van plaatsen genoemd die in Holland niet zijn aan te wijzen terwijl de Hollandse plaatsnamen die worden genoemd latere invoegingen zijn. Waar de traditie vandaan komt staat letterlijk in de Egmondse bronnen : «in loco qui Hallem nuncupatur» (de plaats die Hallem wordt genoemd), dat is het huidige Hallines, enkele kilometers ten zuidwesten van St.-Omaars (Frans St.-Omer), waar zich het St.-Bertijnsklooster bevond (10).

«Hoe de documentatie van Traiectum in Gent terecht kwam, valt gemakkelijk te verklaren. De graaf van Vlaanderen heeft de abdijen krachtig gesteund en verrijkt, eerstens om hem te helpen bij zijn politiek van het weren van vreemde invloeden, tweedens om ook op kerkelijk gebied orde te scheppen in de chaos, veroorzaakt door de Noormannen. Zo heeft hij de St.Bertijns-abdij te St.-Omaars gedwongen om haar monastieke beslotenheid van een zuiver beschouwend leven te verlaten en de zielzorg in het omliggend gebied aan te nemen. In dit verband is het veelzeggend, dat deze abdij dan optreedt in verschillende parochies die voorheen tot het bisdom Traiectum behoorden; en dat deze parochies juist in het noorden liggen, het huidige West-Vlaanderen.
Tegen deze achtergronden is het helemaal niet vreemd dat de documentatie van Traiectum in Gent terecht kwam, waar zij na enige tijd niet meer werd begrepen en in de 12e eeuw – die beruchte 12e eeuw die we steeds weer tegenkomen als het begin van de Babylonische spraakverwarring – de mening ontstond dat die documentatie van Utrecht was. Zo kwam zij in Egmond terecht, waar zij desondanks als niet van toepassing op Nederland voorlopig in de kast werd gelegd.»
 (11).

De eerste Vlaamse graven brengen uit Noord-Franse kloosters documenten over naar Gent. Van daar verwaait in de twaalfde eeuw een deel naar Egmond, en de Egmondse monniken beginnen – in wedijver met de Utrechtse bisschop – met dat materiaal oude ‘Hollandse’ rechten en een oude ‘Hollandse’ geschiedenis samen te stellen.

Voor de humanisten vulde de gravengeschiedenis een deel op van het gat tussen de nationale Batavieren-mythe en de eigentijdse geschiedenis waarbij er strijd ontstaat over de vraag aan wie die graven nu toebehoren : Holland of Friesland. Ook staat de Statenpartij tegenover de Oranje-partij waarbij elk probeert om aan de gravengeschiedenis dynastieke danwel juist republikeinse argumenten te ontlenen.

In de zeventiende eeuw wordt de traditionele gravengeschiedenis eerst van buitenaf in twijfel getrokken door de Zeeuwse jonkheer Jacob Eyndius (Jacob van den Eynde, 1575-1614) (12), gevolgd door enigszins kritische republikeinse geesten als Petrus Scriverius (Piet Schrijver, 1576-1660), Jan Uytenhage de Mist (1636-1668) en Simon van Leeuwen (1626-1682) die niet alleen opruiming hielden onder de voor-kritische Hollandse ‘nevelhelden’ zoals ‘Heer Lem’ (van Heer Willem) die de stichter zou zijn geweest van Haarlem en Bato als Bataafse leider, of Friso als stamvader van de Friezen, zie ook : De geschiedschrijving van het graafschap Holland.

De vraag of men zich uitsluitend op oorkonden dient te baseren – voor de vroege gravengeschiedenis zijn er alleen de vier vervalste ‘koningsoordkonden’ – wordt ontkennend beantwoord door de traditionalisten, die de ‘overlevering’ mee wilden laten wegen, en die niet alleen droge historische ‘feiten’ willen, maar vooral ook een ‘verhaal’ dat met trots kan worden doorverteld en dat de nationale saamhorigheid dient te bevorderen.

In een tijd waarin er toch al steeds meer geloof wordt gehecht aan de ‘historische kern’ van volksverhalen en legenden wordt dit ten gunste van de traditionalisten beslecht en ten koste van kritisch historisch onderzoek.

Hier gaan we op zoek naar de primaire en secundaire bronnen, met de Egmondse bronnen daar ergens tussenin. Om de primaire bronnen te vinden zijn de secundaire nodig, dus alles kan niet onmiddellijk in de juiste volgorde worden geplaatst. Medewerking is welkom, tegenspraak eveneens.

Écht haast kan er niet bij zijn, want de kwestie loopt al duizend jaar.


Noten

1. Hoe er wordt geprobeerd de ouderdom van de naam Holland op te voeren moge blijken uit het commentaar bij de vervalste akte voor het jaar 1083 : «Oppermann acht de vermelding Hollandie bij Theodericum comitem niet oorspronkelijk. Het is moeilijk in deze laatste aangelegenheid zekerheid te verschaffen. Het gaat hier om de vraag sedert wanneer er een graafschap bestond met de naam Holland. De vermelding van een zekere Ghisebertus de Holland in een Deventer oorkonde met het jaartal 1093 heeft geen waarde, want deze oorkonde is niet meer dan een falsum van later datum. Dit neemt nochtans niet weg, dat de bewoordingen van de in de eerste jaren der 12e eeuw geschreven en nog in het oerhandschrift aanwezige Annales Egmundenses de conclusie wettigen, dat de naam Holland in de verbinding met een graafschap reeds bestond op het eind der 11e eeuw. Het blijft alleen onzeker, sinds wanneer deze verbinding bestond.» (Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1229, deel 1, t.a.p., p. 186, bij tekst 89).

2. Geschiedenis der Staatsinstellingen in Nederland tot den val der Republiek / Robert Fruin, uitgegeven door H.T. Colenbrander, ingeleid door prof. dr. I. Schöffer. – ’s-Gravenhage : Martinus Nijhoff, 1980. – 436 p. – p. 13-14.

3. De Franken in Nederland / Dr. D.P. Blok. – Derde druk. – Haarlem : Fibula-Van Dishoeck, cop. 1979. – 154 p. – p. 86. Let op hoe dr. D.P. Blok voetnoten maakt : hij geeft geen bronnen, maar als hij denkt zelf iets slims gevonden te hebben, dan noteert hij het in het voetnoot, meest waarschijnlijk uitsluitend om een paar weifelde collega’s onder de indruk te brengen. Er wordt niet eens uitgelegd wat het verschil is tussen een ‘prefect’ en een ‘graaf’ en waarom het vraagstuk belang zou hebben. De functie ervan lijkt vooral te bestaan uit het afleiden van de aandacht van de ware kwesties en geleerderigheid te verbinden aan onleesbaarheid.

4. De Franken in Nederland / Dr. D.P. Blok. – Derde druk. – Haarlem : Fibula-Van Dishoeck, cop. 1979. – 154 p. – p. 88. Het enige ‘eigengereide baasje’ hier is dr. D.P. Blok zelf, want na de laatste vermelding van een Gerulf zou het nog meer dan twee eeuwen duren voordat de naam Holland op papier verscheen. Teisterbant is de streek ten westen van Doornik en Atrecht en lag dus niet in Noord-Brabant.

5. Het archief van de graven van Holland 889-1581. II. Inventaris / door J.C. Kort. – ’s-Gravenhage : Rijksarchief in Zuid-Holland, 1981. – 376 p.

6. Algemene geschiedenis der Nederlanden : Deel I. Oudheid en vroege middeleeuwen tot het jaar 925. – Utrecht : De Haan, 1949. Hoofdstuk X, Friesland van de vijfde tot de tiende eeuw, p. 398; er wordt verwezen naar : Van den Bergh, Oorkondenboek Holland en Zeeland tot 1299, II, nr. 611.

7. De Franken in Nederland / Dr. D.P. Blok. – Derde druk. – Haarlem : Fibula-Van Dishoeck, cop. 1979. – 154 p. – p. 86 en 88. Ook dit ontbreekt in de eerste druk.

8. West-Friesland in oude kaarten / Marc Hameleers. – Wormer : Stichting uitgeverij Noord-Holland. – 144 p. – p. 8; en : Getekend land. Nieuwe beelden van Hollands Noorderkwartier / Herman Lambooij. – Alkmaar : Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier, 1987. – 160 p. [+ afzonderlijke kaart]. – p. 22; zie ook : Het ontstaan van West-Friesland. De eerste West-Friese omringdijk werd opgeworpen na 1250 en bestond uit veenplaggen; toen de dijk inklonk werd hij vervangen door een 4½ meter hoge dijk; de vroegste terpen zouden uit de tweede helft van de veertiende eeuw zijn. Zie : Pré- & protohistorie van de lage landen / onder red. van J.H.F. Bloemers en T. van Dorp. – Open Universiteit (De Haan), 1991. – p. 427.

9. De Rymkroniek van Melis Stoke werd in twee delen in 1885 te Utrecht bij Kemink uitgegeven door W.G. Brill; voor een webuitgave, zie : Rijmkroniek van Holland (366-1305) door een anonieme auteur en Melis Stoke.

10. Fontes Egmundenses / uitgegeven door O. Oppermann. – Utrecht : Kemink en Zoon N.V., 1933. – 181, 307 p. – (Werken uitgegeven door het Historisch Genootschap, Derde serie ; no. 61). – p. 13, en p. 12, noot 2. Zie ook : Adelbert van Egmond; en 1083, Een Egmondse vervalsing uit de twaalfde eeuw.

11. Ontspoorde historie, t.a.p., p. 23. Het is natuurlijk pas in Egmond, en dan pas ná de affaire Echternach (1156), dat de documentatie op Utrecht wordt getrokken, zie : Willibrord.

12. «Inderdaad had Eyndius’ kroniek, bezien in de lijst van de tijd waarin ze verscheen, grote verdiensten; zij geeft blijk van de grote belezenheid van de schrijver zowel in de oudere als de nieuwere literatuur, en tegelijk van zijn kritische zin, al gaat zijn historische kritiek te ver [sic !]wanneer hij tracht aan te tonen dat de reeks der Hollandse graven pas met Dirk IV begint.» (Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en de eerste helft der zeventiende eeuw / P.J. Meertens. – Amsterdam : Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, 1943).


Start : 22 november 2003 | Laatst bijgewerkt : 28 november 2014

«Karel had alle Friese vrij en edel gemaakt en hen met het adelaarswapen onderscheiden; hun gouden halsbanden verschaft in plaats van de tekenen der Deense slavernij; hun op het internationale slagveld te Rome naar verdiensten eer betoond boven alle andere volken.
Dit is de voorstelling, waarvan een kern omstreeks het jaar 1100 reeds aanwezig blijkt te zijn, die later wordt uitgebouwd en opgekleurd en die een ereplaats zal innemen in het bonte geheel der laat-Middeleeuwse en renaissancistische, populaire Friese geschiedschrijving. En deze boom der verbeelding is nog lang niet uitgebloeid. [...]
De schrijvers gingen te werk als de oude kaartenmakers : leegten moest worden opgevuld met fantasie-beelden. En de op de echte bronnen steunende geschiedenis biedt vele leegten. We kennen uit haar de namen van enige hertogen (of koningen, gelijk ze liefst genoemd worden) : na Radbod, die we al noemden, ook Poppo en Godfried. Latere kronieken weten nog van Adgillis II, Gondebald en Radbod II te verhalen en zijn hierin gevolgd door hen, die met alle geweld een aaneengeschakeld verhaald wilden leveren. Al deze vorsten zijn, zoals Gosses zegt, in genealogisch opzicht zeer verdachte typen.»

Algemene geschiedenis der Nederlanden, t.a.p., p. 389-390.

Fresia is uitgesmeerd over heel het Nederlandse taalgebied om de gaten op te vullen, en de Friezen werden daarbij van hun mythologie beroofd door de geschiedenis pas te laten beginnen met de ‘Hollandse’ graven van Fresia die in West-Friesland werden geplaatst hoewel ze de West-Friezen eerst nog moesten bedwingen, om ze vervolgens dan maar in Kennemerland neer te zetten hoewel dat pas in de twaalfde eeuw in de bronnen verschijnt.

Er bestaat echter geen enkele reden de Middeleeuwse geschiedenis van Fresia geheel te verwerpen, op voorwaarde dat deze in de juiste streek wordt geplaatst.