VorigeDe geografie van de ‘Lex Frisionum’Volgende

4. Fli / Fle[h]

Inhoud van deze pagina

  1. Inleiding
  2. Flevum
  3. Flethite
  4. Vlie
  5. Flu
    Noten

1. Inleiding

Met Fli en Fle[h] wordt niet noodzakelijkerwijs hetzelfde gebied aangeduid. Ze worden hier tezamen behandeld omdat ze doorgaans met elkaar in verband worden gebracht dan wel aan elkaar gelijkgesteld. Fli wordt doorgaans opgevat als het Vlie (zeegat tussen Vlieland en Terschelling), terwijl Fle[h] – zonder meer gelijkgesteld aan het Romeinse Flevum – wordt opgevat als de voormalige Zuiderzee (IJsselmeer). De namen lopen bij de naamkundigen door elkaar.

«het Vlie (44 kop. 10e Flevo, 77 kop. 9e Flevum, 1 helft 9e kop. 1 helft 11e Fleo, 11e Fle), uit Germ. Flewa- “het vloeiende”, bij 1E pleu- “vloeien”.» (1).

En er is de andere naam :

«Desgelijks [een suffixcombinatie -atja-] in 777 kop. 10e, eind 11e [eeuw] Flethite, 855 kop. begin 10e Flethetti, een gouw aan de Eem.» (2).

2. Flevum

Het Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200 geeft :

«Flevum (2e e[euw].)
ligging onbekend. in de omgeving van het “Vlie” (zie daar)
ca. 115 cop[ie]. 9e e[euw]. (ad 28): receptus castello cui nomen Flevum (Tacitus, Annales lib. 4 c. 72 ExcRom I, p. 273) || ca. 170 cop. 13e e[euw].: Φληούμ (Ptolemaeus, Geogr lib. 2 c. 11, 12 ExcRom I, p. 317)
v[er]g[e]l[ijk]. 44 cop. 10e e[euw].: Rhenus ... iam non amnis sed ingens lacus ibi campos implevit Flevo dicitur [eiusdem]que [nominis] insulam amplexus (Mela, DeChorogr lib. 3 c. 24 ExcRom I, p. 123)»
 (3).

Het Flevum wordt echter ook al genoemd bij Plinius :

«Tekst 41.
ca. 77. Plinius beschrijft het Eiland van de Bataven in Frankrijk.
In de Renus (Schelde) zelf ligt, bijna 100 mijlen (220 km) in de lengte, het zeer edele Eiland van de Bataven (Béthune) en de Canninefaten (Genech), en andere van de Frisones (Vlaanderen), Chauci (Chocques), Frisiavonen (Vlaanderen), Sturi (Estreux, Etroeungt of Etrun), Marsaci (Marchiennes) die zich uitstrekken tussen Helinium (Liane bij Boulogne) en Flevum (of Almere tussen Calais, St. Omaars en Winnoksbergen). Zo worden de uitmondingen genoemd, waar de Renus (Schelde) in het noorden (lees: westen) in meren vloeit. In het westen (lees: zuiden) stort hij zich in de stroom van de Mosa (lees: Moos of Moeze), terwijl hij in het midden van deze een kleine stroom vormt, die zijn eigen naam behoudt.
Bron: Plinius, Naturalis historia, IV, 101.»
 (4).

Het gaat om deze passage (de voorafgaande en de volgende paragraaf zijn eveneens weergegeven) :

«[100] proximi autem Rheno Istuaeones, quorum ..... mediterranei Hermiones, quorum Suebi, Hermunduri, Chatti, Cherusci. quinta pars Peucini, Basternae, supra dictis contermini Dacis. amnes clari in oceanum defluunt Guthalus, Visculus sive Vistla, Albis, Visurgis, Amisis, Rhenus, Mosa. introrsus vero nullo inferius nobilitate Hercynium iugum praetenditur.
[101] in Rheno autem ipso, prope C in longitudinem, nobilissima Batavorum insula et Cannenefatium et aliae Frisiorum, Chaucorum, Frisiavonum, Sturiorum, Marsaciorum, quae sternuntur inter Helinium ac Flevum. ita appellantur ostia, in quae effusus Rhenus a septentrione in lacus, ab occidente in amnem Mosam se spargit, medio inter haec ore modicum nomini suo custodiens alveum.
[102] Ex adverso huius situs Britannia insula, clara Graecis nostrisque monimentis, inter septentrionem et occidentem iacet, Germaniae, Galliae, Hispaniae, multo maximis Europae partibus, magno intervallo adversa. Albion ipsi nomen fuit, cum Britanniae vocarentur omnes de quibus mox paulo dicemus. haec abest a Gesoriaco Morinorum gentis litore proximo traiectu L. circuitu patere |XXXXVIII|·LXXV Pytheas et Isidorus tradunt, XXX prope iam annis notitiam eius Romanis armis non ultra vicinitatem silvae Calidoniae propagantibus. Agrippa longitudinem DCCC esse, latitudinem CCC credit, eandem Hiberniae, sed longitudinem CC minorem.»
 (5).

Commentaar hierbij van Albert Delahaye :

«Het Flevum uit de romeinse periode, later meestal Almere genoemd, was een zeebaai tussen Calais, St. Omaars, Winoksbergen en zo verder naar het noorden. De naam Almere is door regionale teksten bevestigd. De eveneens voorkomende naam van “Fleur” is een afleiding van Flevum. “Clos Almer” (gesloten) heette de baai, toen zij door de nieuwe duinen van de zee werd afgeschermd en voor het grootste deel droogviel, wat in de loop van de 9e eeuw gebeurde, al was het proces van de transgressies nog niet ten einde. De op- en neergang van Dorestadum - Audruicq valt precies samen met de komst en de terugval van de transgressies. Het einde van de stad als befaamde haven en handelsplaats is veroorzaakt door het terugtrekken van het water en de verlanding van het Almere. De nederlandse Zuiderzee heeft nooit de naam van Almere gehad. De eerste keer dat zij genoemd wordt, heet zij “Interlake”, tussenmeer, een zeer juiste en toepasselijke naam voor het overgebleven water tussen de verlandingen van Holland, Friesland en Utrecht.» (6).

Vlak bij het Flevum, ook Fli, Flye, Flete en Flethi (ook hier lopen de namen door elkaar) genaamd, momenteel bekend als de Plaine Flamande, vinden we op korte afstand van elkaar de uit de Hollandse geschiedenis zo bekende namen als Witla (Wissant, in Nederland nooit gelocaliseerd), Werethina (Fréthun en niet Werden), Attingahem (Assinghem of Autingues en niet Nederhorst den Berg), Adricheim (Audrehem en niet slot Adrichem bij Beverwijk), Tilia (Tilques en niet Tiel), Nifterlaca (Éperlecques en niet de Zuiderzee), Dorestadum (Audruicq en niet Wijk bij Duurstede), Trajectum (Tournehem-sur-la-Hem en niet Utrecht), Burdina (de Bourre en niet de Boorne in Friesland), Isla (de Lyzel en niet de IJsel), Lockia (de Loquin en niet de Lek), Daventria (Desvres en niet Deventer), en nog vele, vele anderen die hier onmogelijk allemaal behandeld kunnen worden (7) en die in de traditionele geschiedenis als regel worden overgeslagen omdat ze in Nederland nergens kunnen worden aangewezen.

«De eerste graaf van Vlaanderen, die zich opgeworpen had om de kuststreek tegen de Noormannen te beschermen, nam aanvankelijk het gebied onder zich dat in feite geen heer had, omdat het voor het grootste deel weer drooggevallen land was. Het werd eerst Flelandria genoemd, omdat het uit het vroegere Flevum of Fle gevormd was, welke naam door contractie Flandria werd. De eerste graaf kon zich zelfs niet de titel van “Frisia” aanmeten, omdat die landstreek nog bestond en niet onder hem ressorteerde. Na zijn expansies zette hij de nieuwe naam voort, die ten slotte, toen Frisia wél onder hem kwam, de oude naam verdrong.» (8).

Later wordt de naam vanuit het oorspronkelijke gebied overgebracht naar de huidige regio West-Friesland, en nog weer later ook naar wat nu de Nederlandse provincie Friesland is.

3. Flethite

Fli en Fle[h] worden in de ‘Lex Frisionum’ niet als water aangeduid. De tweede naam past daarom beter op de ‘pagus’ Flethite die de voorkeur verdient boven het Flevum, dat dan iets anders zou zijn dan Fli / Fle[h] :

«Flethetti (2e helft 9e eeuw)
gebied in het o[oosten] van Utrecht
777 or.: uilla ... nuncvpante Lisiduna in pago qui uocatur Flethite super alueum Hemi (DiplBelg 178; DKarol I 177) || 855 cop[ie]. eind 9e of begin 10e e[euw].: in pago que dicitur Flethetti in uilla Hrara ... in uilla Hreni ... in uilla que dicitur Rimbrahti ... in uilla Tiuli ... in Hnodi ... in silua Hrenhem – in pago cui uocabulum est Flethetti in uilla que uocatur Hlara (UrbWerden I, p. 12-15) || w[aa]rsch[ijnlijk]. 2e helft 9e e[euw]. cop[ie]. 1150-1158: in plaga Saxonie pago Fladate in uilla que dicitur Elbisge ... in uilla Holzhusen ... in uilla Rimbrahtes ... in uilla Gengiloe (Dronke, TradFuld c. 41, 112)
voor de datering van Dronke, TradFuld c.41, 112 zie: UBFulda I 491; zie ook Fledetgo»
 (9).
«Fledetgo (1129)
ligging onbekend (Gelderland)
1129 cop[ie]. 1480: ad hec pertinent ... foreste ... Fledetgo (DLothIII 19)
w[aa]rsch[ijnlijk]. identiek met Suboirt (zie daar)
dit lijkt wel de oude gouwnaam Flethite met toevoeging van go “gouw”»
 (10).

Flethite was een landstreek ten zuiden van het Flevum, die in 777 genoemd wordt in een schenking van Karel de Grote aan het bisdom Trajectum (Tournehem-sur-la-Hem), en in 855 in een oorkonde van Werden (Werethina, momenteel Fréthun) als Flethetti (11), later ook Fletione genaamd, dat is de omgeving van Fléchin (12), negen kilometer ten zuidoosten van Terwaan (Frans Thérouane) :

«Flethite wordt genoemd in de schenking van Karel de Grote uit 777 aan de kerk van het bisdom Traiectum (Tournehem), samen met een achttal plaatsen, die niet in Nederland maar wel in de omgeving van Tournehem aanwezig zijn.
De “pagus”, hier als landstreek op te vatten, lag volgens de akte bij de rivieren de Hem, die nog steeds zo heet, en de Lockia die nu Loquin heet (waarvan men in een handomdraai de Lek maakte !).
Flethite is de naam Fléchin, op 21 km zuid van St.-Omaars. Nergens blijkt dat Flethite een bestuurlijke gouw was. In zijn “De Franken in Nederland” van 1979 vermeldt Blok deze “gouw” niet eens, zodat we verder geen woord meer behoeven te besteden aan deze jonge gouw.»
 (13).

In Nederland is deze naam nooit aangewezen, hoewel hij toch met de natte vinger als landstreek ergens ten oosten van Utrecht is neergeplant, meer precies als :

«het stroomgebied van de Eem tussen Rhenen en het Almere» (14).

De namen die in samenhang met Flethite in 777 worden genoemd zijn : Lisiduna (Licques en niet Leusden of Leiden), Hem (de Hem), het bos Mocoroth gelegen aan de andere zijde van de Hem (Mottehault onder Wissocq, 6 kilometer zuidwest van Tournehem), Widoch of Widic (Wissocq), Hengistcote (Écottes op ruim 2 kilometer ten noorden van Licques, eerder ook Agincotta genaamd), Fornhese (Yeuse), Ubkiracha (Nortkerque) en Lokkia (de Loquin, een zijriviertje van de Hem en niet de Lek); in De Franken in Nederland worden al deze namen overgeslagen.

Het is aannemelijk dat in de twaalfde of dertiende eeuw de naam Flethite, die toen niets meer betekende, in de ‘Lex Frisionum’ door een kopiïst is veranderd in die van het niet verafgelegen Fli of Fle[h], waarbij de naam van een plaats werd veranderd in de naam van een water.

4. Vlie

«Vlie
oude naam van het IJselmeer, nu zeearm tussen Vlieland en Terschelling (Friesland)
44 cop[ie]. 10e e[euw].: Rhenus ... non amnis sed ingens lacus ubi campos implevit Flevo dicitur (Mela, DeChorogr lib 3 c. 24 ExcRom I, p. 123) || 77 cop[ie]. 9e e[euw].: aliae (scil. însulae) ... quae sternuntur inter Helinium ac Flevum. Ita appellantur ostia in quae affusus Rhenus ... se spargit (Plinius, NatHist lib 4 c. 101 ExcRom I, p. 142) || begin 9e e[euw].cop[ie]. 1557: cis Fli (LexFris tit. 1 par. 3, p. 62 en 3× in dezelfde bron – inter Fli et Sincfalam (ibid. tit. 1 par. 10, p. 64) – inter Laubachi et Flehum (ibid. tit. 14 par. 2, p. 86) – inter Flehum et Sincfalam fluvium (ibid. tit. 14 par. 3, p. 86) – apud occidentales Fresiones inter Flehi et Sincfalam (ibid. Additio sapientium, p. 116) en 1× in dezelfde bron – inter Laubachi et inter Flehi (ibid. Additio sapientium, p. 120) || 840-849 cop[ie]. ca. 1000 (ad 784): usque ad Fleo fluvium (Vita I Liudgeri lib. 1 c. 21, p. 25) || ca. 850-863 cop[ie]. 11e of begin 12e e[euw]. (ad 784): usque ad Fleha fluvium (Vita II Liudgeri lib. 1 c. 13, p. 60) || na 864 cop[ie]. 10e e[euw]. (ad 784): usque ad Flea fluvium (Vita III Liudgeri lib. 1 c. 18, p. 95) || 10e-begin 11e e[euw]. cop[ie]. 11e e. (ad begin of midden 9e e[euw].): in flumen quod dicitur Fle (VitaOdulfi SS 15, 1, p. 357) || w[aa]rsch[ijnlijk]. eind 11e e[euw]. naar een bron uit 10e e[euw]. cop[ie]. ca. 1420: in orientali parte fluminis quod vocatur Fle (AantEvang FontEgm, p. 61) || w[aar]rsch[ijnlijk]. eind 11e e. naar een bron uit eind 10e-11e e[euw]. cop[ie]. ca. 1420: ab oriente fluminis Fle (ibid., p. 63-64)
voor de datering van de Aantekeningen uit het Evangelieboek zie: Meilink (1939), p. 22-25
uit g[er]m[aans]. *flewo- bij de ie. wortel *pleu- “stro- men”»
 (15).

Geen enkele plaatselijke bron bevestigd de naam Vlie voor IJselmeer.

«Vliet
waterloop in Rijnsburg (Zuidholland)
918-948 cop[ie]. eind 11e e[euw].: in Hrothaluashem, quod modo dicitur Rinasburg, mansa XIII sancti Martini est ... et mansa iacent binorthan Flietha, sidilia autem que ofstedi dicuntur bisuthan Flieta (DiplBelg 195)
voor de datering van DiplBelg 195 zie: Blok (1957), p. 89-104
o[ud]n[eder]l[ands]. flieta “waterloop in getijdengebied”»
 (16).

Over het Vlie of de Vliestroom tussen Vlieland en Terschelling, waarvan de naam met Flevum in verband wordt gebracht, staat in Nederlandse waternamen in toponymisten-jargon :

«Flevo (nom. sg.) is bij Mela 3, 24 de naam van een water en van een eiland: (Rhenus) iam non amnis sed ingens lacus ubi campos implevit Flevo dicitur eiusdemque nominis insulam [in noot : = Vlieland (in insula Fle: Okb. Utr. 1045 [a. 1245])? Er lag hier het kasteel, cui nomen Flevum (Tac. Ann. 4, 72), dat bij de opstand der Friezen in 28 n. Chr. Olennius tot schut strekte. Uit Tacitus Ptol. II 11, 12: Φληούμ (met onjuiste Iange e) πόλις. Maar zie Hettema blz. 189 v.v. Zie voor Flenio bij Helinium] amplexus fit iterum artior. Gelatiniseerd tot Flevum (sc. ostium), komt de naam als een van de Rijnmonden voor bij Plinius (n.h. 4, 101) : (insulae,) quae sternuntur inter Helinium ac Flevum. Ita appellantur ostia in quae effusus Rhenus a septentrione in lacus, ab occidente in amnem Mosam se spargit, medio inter haec ore modicum nomini suo custodiens alveum.
Het is dus bij de Romeinen een zich tijdelijk tot meer verwijdende monding van de Rijn, en terwijl dit meer in de middeleeuwen de naam Almere kreeg, behield het water tussen Vlie-land en Terschelling de naam Vlie (onzijdig geworden in de sandhi, als b.v. ’t IJ) ; kunstmatig worden thans de namen Flevoland en Flevostad ingevoerd. De middeleeuwse vormen luiden Fleo, Flī (bekend vooral uit de Lex Frisionum: inter Fli et Sincfalam), Fle [in noot : NGN. 4, 14 v.v. In de Fontes Egmundenses Fle (FE. 61, 23; 64, 2)] : met regelmatige Friese syncope van de w ontstond Flī uit de instrumentalis-locatief *Flĭwi; Flē uit *Flĕwe [in noot : Vgl. fries knī naast knē en zie V. Helten, Altostfris. Gr. § 68a en 164]. Daarnaast, met latinisering en syllabenscheidende h, acc. Flehum en locatief Flehi. Nu, met regelmatige klankontwikkeling uit eo, Vlie. Eigenaardig is de spelling Vlye die meermalen in oudere tijd voorkomt [in noot : B.v. bij Obreen, Rechtsbronnen der stad Amsterdam blz. 623 : tweemaal int Vlye] ; men vergelijke Ye, Crommenye [in noot : H. Gr. § 31] en verwarre dit Vlye niet met het onder “Tweede Bestanddelen” besproken Vlije.
De etymologie is duidelijk ; het is de eu-trap van de basis germ. flu- ; vgl. gr. πλέω (uit *πλέ?ω), en verder ook lt. pluo; reeds de f wijst op een echt Germaanse naam. Met germaans t-suffix leeft dezelfde basis voort in ndl. vlie-t(en) (met de afleiding Vlieter). Ablautend vindt men germ. flō- (met ō uit idg. ō uit ōu), met germ. d-suffix in vloed (uit *flō-du-) ; daarnaast met m-suffix in gronings (Het) Floem, oudtijds water in Appingedam [in Noot : Of met oorspr. ū; zie W. de Vries NGN. 10, 160; Gr. pl. n. blz. 25; maar vooral Gysseling (Album-Baur I 209 v.). die hierbij ook stelt Vlaming (met ingvaeoonse â uit au) ‘wonend bij de flāmas, d. z. de slikken en schorren, het overstroomde land’]. Tot deze groep, maar nu met r-suffix, behoort vermoedelijk Vloer, oude naam van de oostelijke arm van het Zwin [in noot : Ook zandbank (zie voor deze verschuiving van betekenis de Inleiding). Zie De Flou 16, 653 v.v. waar men talrijke bewijsplaatsen vindt. Geheel anders over de etymologie van Vloer Carnoy s.V. (= ndl. vloer)] ; vgl. Stoke VII 1120 : Als si binnen den Vloere waren ; Den Vloer op de kaarten van Brussel (a. 1463) en Antwerpen (a. 1504/5) [in noot : Zie TAG. 67, 163].
Oorspronkelijk duidde Flevo dus de rivier aan ; de betekenis van meer is secundair. Terwijl Vlie thans is het zeegat tussen Vlieland en Terschelling, verstaat men onder Vlie-stroom een geul in de Waddenzee ten O. van Vlieland. Deze samenstelling komt, in verknoeide vorm, reeds voor in de 13de eeuw : ad illos terminos Reni, qui Vleymszstrom [Invloed van bovenvermeld Φληούμ ? ’t Register heeft : Vleyniszstrom, dat zèker niet goed is] dieuntur (Okb. Gelre 1057: a. 1282).»
 (17).

Zo leren we nog eens wat. Er wordt wel heel erg omstandig niet méér beweerd, slingerend langs het Grieks en het Gronings, dan dat de namen Flevum en Vlie etymologisch met elkaar samenhangen. Dat zal best, maar ‘vlie’ en ‘vliet’ zijn zó algemeen voorkomende waternamen dat er nog wel wat andere kandidaten beschikbaar zijn. Bovendien is er geen enkele reden om aan te nemen dat de Rijn ooit tussen Vlieland en Terschelling is zee stroomde en een naam van bijna tweeduizend jaar geleden daar zou zijn behouden voor een waddengeul. En omdat ook het kasteel Flevum van Tacitus nog altijd niet is gevonden – Velsen-I was het in ieder geval niet; “niet onmogelijk” was de optimistische aanvankelijke inschatting die vervolgens niet is bevestigd door ook maar één enkele inscriptie – staat de historische vereenzelviging van de twee namen op wel heel losse schroeven. Ook wordt nergens duidelijk gemaakt waarin het onderscheid ligt tussen de Vlie- en de overwegend Hollandse Vliet-namen, die beiden van rond het jaar 1000 zouden zijn (18).

De Encyclopedie van Friesland, onder verwijzing naar Nederlandse waternamen, komt niet verder dan :

«VLIE. Ook V.-stroom. Zeegat tussen Vlieland en Terschelling. De naam is ontstaan uit Flehum, Flehi (z Flevo), dat verband houdt met ‘vlieten’ (meestal wordt de naam V.-stroom voor de geul in de Waddenzee gebruikt). N. uitmonding van de IJsel in de Noordzee, door de laatmiddeleeuwse stormvloeden vergroot tot een belangrijke zeearm.» (19).

5. Flu

Dan is er nog een andere mogelijkheid :

«Warneton
Het tweede voorbeeld ligt slechts een tiental kilometers verwijderd van de plaats Hollande, volgens de schaal op de kaarten drie uur gaans. Het is een kaartje (blz. 112/113) van Guillaume en Adrien Samson uit 1678. De atlas waarin dit kaartje voorkomt werd gemaakt naar aanleiding van het Verdrag van Nijmegen. Op de plaats waar nu Varneton ligt, komen op de verschillende kaarten afwisselend Frans- en Nederlandstalige plaatsnaamvarianten voor : Warneton, Warneston, Waesten, Waeten, Waeton, Neerwastine, Vemeton en Varneton. De Friezen vochten in de slag bij Warns tegen Vlaanderen, Henegouwen en Artois. Op de plaats waar de daar vechtende graafschappen die met elkaar in de strijd waren, bij elkaar kwamen ligt tegenwoordig de plaats Varneton. De laatste slag, in het oude land, de slag bij Warns, werd geleverd op een eiland in de rivier de Flu, die vandaag de dag de Leie (Lys) wordt genoemd. Dat eiland ligt daar nog steeds, de resten van een oud kasteel zijn er zichtbaar. Professor Van der Molen vraagt zich wel eens af waarom al die Friese edelen een Franse naam hadden. Wel, daarom dus. Nog een argument om de slag bij Warns zich langs de Leie te laten afspelen is dat de abt van Valenciennes (Valencijn) de auteur is van het stuk wat de slag bij Warns beschrijft. Valenciennes is hemelsbreed zes uur gaans verwijderd van Varneton.»
 (20).

Vervolg Volgende


Noten

1. De oudste plaatsnamen in Holland en Utrecht / door dr. M. Gysseling. – In : Studies over de oudste plaatsnamen van Holland en Utrecht / M. Gysseling en D.P. Blok. – In : Toponymica ; Bijdragen en bouwstoffen uitgegeven door het Instituut voor Naamkunde te Leuven. – Leuven : Instituut voor Naamkunde, 1959 –38 p. + 2 kaarten. – p. 10.

2. De oudste plaatsnamen in Holland en Utrecht, t.a.p., p. 7. Deze niet te verwarren met de Vecht in de provincie Utrecht : «de Vecht (9e-10e kop. eind 11e Feht, 10e an theru Fehtu, 1156 Veht» (De oudste plaatsnamen in Holland en Utrecht, t.a.p., p. 10).

3. Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200, t.a.p., p. 139.

4. De ware kijk op..., deel 1, t.a.p., p. 52; uitvoeriger behandeld en beargumenteerd in : Germania = Frans-Vlaanderen bij Caesar, Strabo, Plinius, Ptolemeus, t.a.p., p. 146-148 (tekst 69); zie ook : De Canninefaten en Kennemerland : het Helinium werd door Albert Delahaye eerst gelocaliseerd als de Liane bij Boulogne wat hij later corrigeerde naar de streek ten oosten van Kortrijk, waar de plaatsen Helchin (Helkijn), Ellezelles, Ellignies, Ollignies, Hellebecq en Gislenghem waarschijnlijk als naamrelicten van het Helinium zijn overgebleven.

5. Aangehaald naar : Bill Thayer’s Web Site.

6. De ware kijk op..., deel 1, t.a.p., p. 87.

7. De ware kijk op..., deel 1, t.a.p., p. 14, 17, 19, 35, 52, 68, 75, 79, 85, 87, 95, 110, 140, 253-254, 307-308, 406-407, 411, 414-415, 422, 424, 431, 463 en 472; deel 2, t.a.p., p. 42, 47, 133, 244, 302, 306, 309, 311, 349, 370, 374, 396, 456, 460, 467, 477, 486-488, 496, 501-502, 509, 518, 537, 544, 548, 550, 552-553, 576 en 578.

8. De ware kijk op..., deel 2, t.a.p., p. 302; vergelijk : «Vlaanderen, benaming, die nu gebruikt wordt voor het Ned.-sprekende gedeelte van België en die zijn oorsprong vindt in de vroeg-middeleeuwse pagus Flandrensis, een karolingische gouw rond Brugge, die zelf de kern werd van een middeleeuws vorstendom, het graafschap Vlaanderen, dat nagenoeg de huidige twee provincies West- en Oost-Vlaanderen omvatte, alsmede gebieden in het huidige Noord-Frankrijk (Atrecht, Aire, St. Omaars, Rijsel, Douai en Orchies). De grondlegger van de dynastie van de Vlaamse graven was de karolingische gouwgraaf Boudewijn I, gehuwd (862) met Judith, dochter van Karel de Kale. Zijn zoon, Boudewijn II (879-918) bouwde het graafschap uit tot een zelfstandig vorstendom, dat onder Arnulf I (918-65) zich in Noord-Frankrijk uitbreidde tot over de Somme.» (Nijhoffs Geschiedenislexicon, t.a.p., p. 600).

9. Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200, t.a.p., p. 139.

10. Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200, t.a.p., p. 139.

11. De oorkonden van Holland en Zeeland tot 1101", tekst 18.

12. Département du Pas-de-Calais, t.a.p., p. 151 : Fléchin, gemeente Faucquemberge; Felcianus, 994; Felzi, 1096; Felchin, 1152; Flechin, 1168; Felcin, 1187; Flécin, 1299; Fléchy, 1318; Fleschin, 1545; Fléchain, 1559; «Fléchin, en 1789, dépendait, partie du bailliage d’Aire, partie de celui de Saint-Omer. Son église paroissiale, d’abord diocèse de Thérouanne, doyenné de Fauquembergues, puis de Boulogne, doyenné de Bomy, était consacrée à saint Martin et avait Cuhem pour secours; l’évêque de Boulogne conférait la cure.»

13. De ware kijk op..., deel 2, t.a.p., p. 43; zie ook : Ontspoorde historie, t.a.p., tekst 174, p. 216-218.

14. Dr. D.P. Blok in de Algemene geschiedenis der Nederlanden, t.a.p., deel I, 1981, p. 250; geciteerd naar : De ware kijk op..., deel 2, t.a.p., p. 38; vergelijk Frieslands oudheid, t.a.p., p. 114, enige bron aldaar is de schenking van Folckerus aan Werden van 855.

15. Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200, t.a.p., p. 370-371.

16. Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200, t.a.p., p. 371.

17. Nederlandse waternamen, t.a.p., p. 68-69.

18. Vergelijk : Nederlandse waternamen, t.a.p., p. 145-146.

19. Encyclopedie van Friesland, t.a.p., p. 654. Andere verwijzing aldaar voor de Vliestroom : Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, LIII (1936), p. 794-801.

20. Oude kaarten, wat zij (niet) zeggen / Rien Boidin. – In : SEMafoor, jaargang 4, nummer 4, november 2003, p. 2-4. – p. 3. Verwijzingen naar : Vlaanderen in oude kaarten, drie eeuwen cartografie. – Jozef Bossu. – Tielt : Lanno, 1983. –168 p., en : Oorsprong en geschiedenis van de Friezen / S.J. van der Molen. – Amsterdam : Elsevier, 1981. – 252 p.


Start : 9 mei 2004 | Laatst bijgewerkt : 26 april 2007