VorigeTraditionalisme of wetenschapVolgende

De Deurnse Doordraver

Inhoud van deze pagina

  1. Inleiding
  2. Methode
    1. “Opdissende historici”
    2. “Dom geschrijf”
    3. Over transgressies en sceatta’s
  3. Brabant, Taxandria en de Peel
    1. De Brabant-namen
    2. Het namenbestand van Taxandria
    3. Lagen Drouvin, Flêtre en Bailleul in de Peel ?
    4. Opgravingen in de Peel
  4. Het Trajectum van Willibrord
    1. Willibrord-mythen te kust en te keur
    2. Trajectum = Antwerpen ?
    3. Trajectum = Maastricht ?
    4. Trajectum = Tournehem ?
    5. Trajectum = Utrecht !
    6. Wiltenburg bij Utrecht
    7. Opgravingen in Utrecht
  5. Het klooster Afternacum van Willibrord
    1. Afternacum, Eperlecques, Echternach
    2. De verplaatsing van het klooster
    3. Het gebeente van Willibrord
    4. De grafsteen van Epternus
  6. Conclusie : “Zorg om kwaliteit”
    Noten

1. Inleiding

«I do not mind lying, but I hate inaccuracy.»
Samuel Butler (1835-1902)

In het najaar van 2004 kondigde Ton Spamer aan dat hij de theorieën van Albert Delahaye zou weerleggen. Voor wie het niet wist : dat was nog niet eerder gebeurd. In 2001 verscheen van zijn hand al een opstel onder de titel Traiectum, Echternach en de bronnen waarop hier al werd gereageerd (1). Er was weinig reden om onder de indruk te raken van die bijdrage zodat er met spanning werd uitgezien naar het nieuwe, wellicht beter doordachte opstel.

In november 2004 verscheen dan : Waan of Werkelijkheid. Willibrord en Bonifatius. Echternach, Deurne en Dokkum, waarin dezelfde beweringen wat breedvoeriger worden gedaan. Er was aangekondigd dat het opstel een grote bibliografie, een groot notenapparaat en vele illustraties en kaarten zou bevatten. Dat blijkt zelfs zoveel plaats in te nemen dat er voor argumentatie weinig bladzijden zijn overgebleven. Vier daarvan zijn gewijd aan het vraagstuk of Bonifatius bij Dokkum is vermoord, een vraagstuk dat hier afzonderlijk zal worden behandeld (1a).

Het gaat – eerste teleurstelling – niet zozeer om een weerlegging van de opvattingen van Albert Delahaye, want dat wordt niet eens echt geprobeerd. Voor een deel wordt de aanval geopend op alternatieve theorieën in het algemeen, waarbij groen, rijp en rot door elkaar worden gehusseld, maar eigenlijk gaat het veel meer om het redden van de Deurnse Willibrord-mythe. Deurne is een turfdorp in de Peel, in de buurt van Helmond. Men kan dit opstel aanschaffen bij Boekhandel Berkers, te Deurne, en wie daar niet in de buurt komt en de reis er niet voor wil maken kan het ook bestellen door overmaking van €5,- op de bankrekening van A.P.G. Spamer, eveneens te Deurne.

Op Archeonet wordt dit opstel als volgt aangekondigd :

«Bestonden Karel de Grote, Willibrord en Bonifatius niet? En als ze wèl bestonden, leefden en werkten ze dan in Maastricht, Antwerpen of zelfs Frans-Vlaanderen? Lagen Deurne en Bakel in Frankrijk? Zijn de tot nu toe door de historici gehanteerde standpunten werkelijk achterhaald?»

Nu heeft Albert Delahaye nooit beweerd dat Karel de Grote, Willibrord en Bonifatius niet hebben bestaan of dat Deurne en Bakel in Frankrijk lagen, dus het begint een beetje flauw. Archeonet voegt daar aan toe :

«Voor wie toch kennis wil nemen van de alternatieve visies wordt verwezen naar het op 6 november 2004 verschenen boek Willibrord en Bonifatius. Waren ze ooit in Nederland? Uitgave Stichting Eerste Millennium. Breda/Gent, 2004. ISBN 90-6728-176-X en 90-77135-10-3.»

In dat boek, gewoon te bestellen in de reguliere boekhandel, zelfs te Deurne, verscheen het opstel van Ton Spamer namelijk oorspronkelijk, onder de ietwat neutraler titel : Utrecht en Dokkum, Willibrord en Bonifatius. Voornamelijk voor het Deurnse publiek verscheen het opstel afzonderlijk met weglating van de hele verdere rest van het boek waarin geheel andere zienswijzen worden vertegenwoordigd (2). Archeonet versterkt zijn restrictieve leeskeuzeadvies voor de twijfelaars als volgt :

«Dr. Marco Mostert, als historicus verbonden aan de Universiteit van Utrecht en auteur van o.a. “754: Bonifatius bij Dokkum vermoord”. (Hilversum, 1999) constateerde op een symposium in Bavel op 6 november jl. dat voor de alternatieve theorieën alle wetenschappelijke onderbouwing zo goed als ontbreekt.»

De tekst van de lezing van dr. Marco Mostert is niet beschikbaar (3). Wat er ontbreekt aan de wetenschappelijke onderbouwing voor de alternatieve theorieën krijgen we niet te horen. Om welke theorieën het gaat evenmin. Dat verreweg de meeste sprekers op dat symposium een geheel andere mening waren toegedaan dan dr. Marco Mostert blijft onvermeld. Archeologen behoren bewijsmateriaal bloot te leggen in plaats van te proberen het te dumpen in een vergeetput.

2. Methode

a. “Opdissende historici”

Aantekeningen

«Dousa [1545-1604] wil de vaderlandsche historie opgebouwd zien uitsluitend met gegevens, ontleend aan betrouwbare documenten; Bockenberg [1548-na 1603] wenscht, waar deze te kort schoten, de “traditie” te hulp te nemen.» (4).

Het nieuwe opstel begint met een citaat uit het werk van Samuel Butler : “Though God cannot alter the past, historians can” (5). Daarop volgt de veelbelovende, zij het wat dik aangezette stelling van Ton Spamer zelf dat “onze kennis van het verleden afhankelijk blijkt van wat historici ons daarover wensen op te dissen”. Hij noemt dat een “treurige waarheid”. Het is een beetje jammer dat er geen voorbeelden worden gegeven om die stelling te illustreren (6), maar gelukkig, zo verzekert de schrijver ons, is er ook een “opwekkende waarheid” : “omdat het historisch debat kennelijk steeds weer nieuw voedsel vindt om traditie en vernieuwing tegenover elkaar te plaatsen.”

Nu is er in dit historisch debat, waarin traditionalisten en vernieuwers zo scherp tegenover elkaar zijn geplaatst, natuurlijk wel een voorwaarde : “Voorwaarde voor een zinvol debat tussen de twee is wel, dat uitspraken gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek”. En dan komt de aap uit de mouw : “Dit hoofdstuk wil aantonen dat juist in het geval “Willibrord en Bonifatius” recente wetenschappelijke onderzoeksresultaten steun verlenen aan de traditie, al zullen er altijd wel wat schoonheidsfoutjes ter correctie overblijven” (7).

Er zou dus helemaal geen noodzaak zijn tot vernieuwing, want hier wordt voor één keer nu eens niets opgedist. Bijgevolg is er ook geen voedsel voor historisch debat. Zo verdwijnen de beleden bereidheid tot debat en vernieuwing in het algemeen meteen al achter de ontkenning van de noodzaak ervan meer in het bijzonder. De boodschap die overblijft is enkel dat Ton Spamer niet graag voor een bekrompen of kortzichtig mens wordt versleten. Toch kunnen we ons er meteen al over verbazen dat de traditie steun nodig zou hebben van ‘recente wetenschappelijke onderzoeksresultaten’.

Het uitgangspunt voor dit opstel van Ton Spamer bestaat niet – zoals we mochten verwachten – uit een onbevangen en kritische herbezinning op de geschiedschrijving aan de hand van oorspronkelijke documenten en archeologische vondsten. De hoofdrol wordt gespeeld door de traditie, een beetje muf en belegen omdat Ton Spamer daarover niets weet mede te delen dat elders niet al veel beter te vinden was. De ‘recente wetenschappelijke onderzoeksresultaten’ krijgen daarbij niet méér toebedeeld dan een bijrolletje; ze mogen steun verlenen aan de traditie en verschijnen alleen op het toneel voorzover ze die lijken te bevestigen. Geen enkele maal wordt er een kritische kanttekening geplaatst bij welk aspect van de traditie dan ook. Het debat met Ton Spamer zélf, volgens zijn eigen criteria, is bijgevolg zoal niet zinloos, dan toch in ieder geval hopeloos.

Stonden er alleen schoonheidsfoutjes in deze bijdrage, het zou Ton Spamer gemakkelijk vergeven kunnen worden. Maar op zich valt het met de schoonheidsfoutjes nog wel mee. Er staan veel meer halve waarheden in, bewust misleidende verdraaiingen zelfs, en vooral heel, héél veel ongestaafde en dus onwetenschappelijke beweringen. Ton Spamer heeft duidelijk meer traditionalisme dan wetenschap aan zijn zijde. Hij valt verre terug achter Bockenberg; die wilde immers gegevens van betrouwbare documenten, voorzover deze tekort schoten, aanvullen met traditie. Ton Spamer daarentegen wil de traditie aanvullen met onbetrouwbare documenten en op maat gesneden archeologie.

Zo wordt geleidelijk duidelijk wat Ton Spamer voor ogen had met zijn Samuel Butler-citaat : hij bedoelt helemaal niet dat geschiedkundigen dingen hebben opgedist. Hij bedoelt precies het tegenovergestelde : zij die de geschiedenis kritisch benaderen en willen herzien staan te dazen; zij zijn het immers die iets willen veranderen aan zijn beeld van het verleden. Alleen dat traditionalistische beeld is voor hem werkelijkheid, de zoektocht naar wat zich daadwerkelijk heeft afgespeeld daarentegen houdt hij voor waan. Als God het verleden niet kan veranderen, dan verzet Ton Spamer zich tegen een verandering van ons beeld van dat verleden, zoals dat is ‘opgedist’ door allerlei… traditionalisten.

b. “Dom geschrijf”

Tegenover de opvattingen van Albert Delahaye wordt dan ook het traditionalistische grove geschut ingezet :

«Al in 1966 is dit ‘dom geschrijf’ genoemd en is Delahaye uitgedaagd het waar te maken, maar hij is hier nooit op ingegaan.» (8).

Dat laatste kan Ton Spamer helemaal niet weten omdat hij de boeken van Albert Delahaye niet heeft gelezen, en, zoals verderop zal blijken, het klopt ook niet. Hij beroept zich enkel op iemand die veertig jaar geleden al geen betere argumenten had. Vervolgens speelt hij de vermoorde onschuld als hij de ‘geharnaste Delahaye-aanhangers’ hooghartig aanraadt om de nieuwere literatuur eens te raadplegen. Het probleem is niet zozeer een gebrek aan eetlust als wel de ongestilde honger. En ondanks de veertig jaar van historisch debat kan Ton Spamer van de anti-Albert-Delahaye-literatuur niet meer opsommen dan één titel van een geschiedenisstudent (9) en de bovenstaande losse flodder, beide uit de oude jaargangen van zijn eigen heemkunde-tijdschrift.

Hij vindt het dermate dom geschrijf dat er zo min mogelijk uit wordt aangehaald. Nergens wordt verwezen naar Ontspoorde historie, dat niettemin op zijn literatuurlijstje staat, en naar Holle boomstammen wordt maar vier keer verwezen, en dan is het overgenomen uit het al genoemde opstel uit 1983 van Arnoud-Jan Bijsterveld; één citaat is bovendien op de aangegeven plaats niet eens terug te vinden. De indruk dat hij in het geheel niets heeft gelezen van het werk van Albert Delahaye wordt er nog eens door versterkt dat hij deze allerlei opvattingen in de mond legt die deze zelfs niet in overweging kan hebben genomen. In de traditionalistische geschiedschrijving zijn dat traditionele werkwijzen, zodat we ons daarover niet behoeven op te winden. We zullen Ton Spamer hier desalniettemin ruimschoots aan het woord laten.

Geconfronteerd met opvattingen als die van Albert Delahaye staan er drie wegen ter weerlegging open : ofwel uitgaande van de hoofdlijnen de beweringen geleidelijk weerleggen, ofwel de methode van onderzoek, de hele aanpak bekritiseren, danwel de afzonderlijke gegevens steeds meer onderuit te halen. Ton Spamer doet niets van dat alles. Het is een hutsepot waarin van de hak op de tak wordt gesprongen, aan alles wordt geraakt maar niets wordt uitgediept en waarin niets nieuws wordt beweerd, behalve dan dat Ton Spamer er zijn eigen buitenissigheden aan toevoegt en verder van alles aandikt.

d. Over transgressies en sceatta’s

Omdat ze kenmerkend zijn voor de hele werkwijze van Ton Spamer wordt hier eerst ingegaan op twee kleinere onderwerpen.

De Duinkerkse transgressies, te vinden in encyclopedieën en handboeken, worden door Ton Spamer botweg ontkend :

«De transgressietheorie, althans in die zin, dat Nederland ten noorden van de grote rivieren onder water stond in de periode 700-800, kent nog steeds wel aanhangers maar wordt wetenschappelijk thans niet meer verantwoord geacht, zoals blijkt uit afbeelding 1.5.» (10).

Ton Spamer heeft geen wetenschappelijke uitspraken kunnen vinden die dat ondersteunen en we moeten ons tevreden stellen met een plaatje. Daarvoor wordt verwezen naar de Wetenschappelijke Atlas uit 2003, waaruit een kaartje is overgenomen dat laat zien hoe het Nederland van rond het jaar 800 er zou hebben uitgezien. Om te beginnen is het verkeerde kaartje afgedrukt; niet dat van Nederland omstreeks 800, maar dat van Winst en verlies tussen 800 en 1850, wat toch wel enig verschil maakt. Dan blijkt uit de juiste kaart dat er na aftrek van de onbewoonbare veen-, wadden- en kweldergebieden niet erg veel Nederland bestond in 800. De tekst erbij, die Ton Spamer weglaat, luidt: “De kustlijn verliep in 800 geheel anders dan nu. Grote delen van het land waren onbewoonbaar door het moerassige karakter of door regelmatige overstroming.” (11). Het grootste deel van dat landschap laat zich overigens niet meer reconstrueren omdat daarvan tussentijds teveel is weggespoeld, hele turflagen, wat Ton Spamer als Peel-bewoner toch zou moeten weten.

De vraag is niet eens of er hier of daar ooit, op het een of andere moment, tijdelijke bewoning mogelijk was, maar of zich er inderdaad een bevolking bevond die zich door de eeuwen heen wist te handhaven in een historische continuïteit.

Ton Spamer voert als argument ook aan :

«In Leidsche Rijn zijn in september 2004 122 sceatta’s gevonden, Friese munten uit de tijd van Willibrord. Het is een raadsel waarom men steeds maar weer de bewoning in Centraal Nederland in de Frankische tijd ter discussie blijft stellen.» (12).

Sceatta’s zijn geen Friese, maar Angelsaksische munten uit de zevende en achtste eeuw die ook aan de continentale zijde van de Kanaalkust in omloop waren en waarvan wordt aangenomen dat ze aldaar zijn nagebootst. Munten bewijzen niet dat op hun vindplaats bewoning bestond; daarvoor zijn huizen nodig en omdat die niet zijn gevonden is het aannemelijk dat er op de betreffende vindplaats juist geen bewoning was (13). Voor muntvondsten geldt dat de nieuwste munt het moment aangeeft waarná de schat in de grond kwam, maar er wordt geen enkele nadere datering voor de afzonderlijke munten gegeven en ook wordt er niets gezegd over de herkomst. Munten bleven eeuwen in omloop en er is geen enkele reden om aan te nemen dat ze in de achtste eeuw in de grond terechtkwamen of dat ze in de omgeving van de vindplaats zijn geslagen.

In het verlengde daarvan krijgen we nog een epistel te lezen over de Limes Germanicus, geeft Ton Spamer ons les in tomme- en tumme-toponiemen en de Tomakkers van Deurne en Vlierden, en in -loos/-looz-namen, waarop hier allemaal niet zal worden ingegaan omdat het ook al niets met Willibrordus of Bonifatius te maken heeft.

3. Brabant, Taxandria en de Peel

Omdat de hoofdmoot van het opstel gaat over de woonomgeving van Ton Spamer zal hier worden aangevangen met de Peel.

a. De Brabant-namen

Ton Spamer protesteerde er in een eerder opstel tegen dat iemand het waagde om de oorsprong van de streeknaam Brabant in Noordwest-Frankrijk te leggen :

«“…. bevestigt (…..) de hypothese dat streeknamen als ‘Brabant’ (…..) vanuit Noordwest-Frankrijk verhuisd zijn naar Nederland.”
Ten eerste was Brabant oorspronkelijk geen streeknaam, ten tweede liep ik vorig jaar over de Col du Brabant bij La Bresse in de Vogezen in het uiterste oosten van Frankrijk en ten derde kwam de plaatsnaam Brabant minstens 50 keer voor in een zeer ruim gebied, zoals het bijgevoegde kaartje (ontleend aan Fr. Petri, Germanische Volkserbe in Wallonien und Nordfrankreich. Bonn, 1937, pag. 690) laat zien. Dergelijke ‘bevestigde hypothesen’ berusten op een pijnlijk gebrek aan kennis.»
 (14).

Dat Ton Spamer ergens loopt is natuurlijk een merkwaardig argument, maar de hele zin waarom het ging luidde :

«Joël Vandemaele bevestigt in deze discussie de hypothese dat streeknamen als “Brabant”, “Hamaland” en “Teisterbant” vanuit Noordwest-Frankrijk verhuisd zijn naar Nederland.» (15).

Dat was iets anders dan wat Ton Spamer er van maakt. Het gaat er niet om dat er een hypothese wetenschappelijk zou zijn bevestigd, maar dat iemand die onderschrijft. In het nieuwe werkstuk wordt het nog eens geprobeerd :

«Delahaye lokaliseerde ook Brabant in het zuiden van België en stelde dat het huidige Noord-Brabant er beslist niet bij hoorde. Nog in 2003 werd in SEMafoor gesteld, dat “streeknamen als ‘Brabant’ vanuit Noordwest-Frankrijk verhuisd zijn naar Nederland”.» (16).

Niemand beweert dat Brabant oorspronkelijk een streeknaam was en niemand ontkent dat de naam op vele plaatsen voorkomt. Albert Delahaye plaatst, net als iedereen, de oorsprong van het hertogdom Brabant in de elfde eeuw in de omgeving van Leuven (17). Wél schreef hij, maar dat heeft Ton Spamer niet gelezen :

«Bracbante, een streek in het zuiden van België, die tot de 11e eeuw ongeveer de huidige Belgische provincie Brabant omvatte, en die dan niet verbreed mag worden tot het huidige Noord-Brabant. De bracbatensers worden door verschillende teksten naast de Ambiani (Amiens), de Morini (Pas-de-Calais) en de Menapiërs (Cassel) gerangschikt.» (18).

Ook dit heeft Ton Spamer gemist :

«Tekst 425
882. “Bracbatense”, de wieg van Brabant in Frans-Vlaanderen.
De Northmanni, die zich met Dani verenigd hadden, zwervend door Francia en Lotharingia, verwoestten te vuur en te zwaard Ambianis (Amiens), Atrebates (Atrecht), Corbeia (Corbie), Cameracum (Kamerijk), Tervanna (Terwaan), de gebieden van de Morini, van de Menapii en van de Bracbatenses, en heel het land rond de rivier de Scaldus, alsmede de kloosters van de heiligen Walaricus (Saint-Valéry-sur-Somme) en Richarius (Saint-Riquier) (425-1).
Bron: Sigiberti Gemblacensis chronicon, MGS, VI, p. 342.
Nota 425-1. Het is overduidelijk in welke regio Sigebert de expeditie van de Noormannen plaatst: Noordwest-Frankrijk en het Schelde-gebied. Let op de vermelding van Brabant, in één adem met de Morini (Terwaan) en de Menapii (Casselberg) genoemd in het Schelde-gebied.»
 (19).

Ton Spamer geeft zijn vijftig Brabant-namen niet, laat staan met eerste vermelding. De verspreiding van een naam zegt namelijk op zichzelf weinig over de oorsprong van de naam zolang we de eerste vermeldingen niet kennen waaruit een verspreidingsrichting zou kunnen worden afgeleid.

Brabant Brabant

Verspreiding van de Brabant-namen volgens Franz Petri (links) en volgens Ton Spamer (rechts) (20)
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Er kan maar één enkele Brabant-naam worden aangewezen in het huidige Noord-Brabant (in het uiterste zuiden) en één ligt er in Gelderland. De grootste concentratie, elf stuks, is te vinden in Belgisch West-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen, wat wijst op precies het tegenovergestelde van wat Ton Spamer ervan probeert te maken. Twintig liggen er verspreid over de rest van Frankrijk en er zijn negen Brabant-namen in Duitsland waardoor Noord-Brabant er wel heel erg verlaten bij ligt (21).

De naam Brabant heeft niets met Willibrord te maken, en het hele onderwerp doet er dus in dit verband niet eens toe. Het laat wél zien wat er allemaal moet worden bijgesleept om tot een schijn van argumentatie te komen.

b. Het namenbestand van Taxandria

Het huidige oostelijk Noord-Brabant zou in de tijd van Willibrord Texandria hebben geheten, hoewel Ton Spamer in het midden laat wat hij in dit verband onder ‘Brabant’ verstaat :

«In Texandria –zoals Brabant toen heette– heeft een aantal Frankische edelen schenkingen aan Willibrord gedaan.» (22).

Het leveren van enig bewijs voor de vereenzelviging van Texandria met Brabant is toch wel geboden, en zelfs noodzakelijk ter weerlegging van de stelling van Albert Delahaye dat het gaat om het gebied ten westen van Kortrijk en ten noordwesten van Atrecht, het land dat eerder Westrachië werd genoemd. De enig juiste historische methode bestaat er dan uit het geheel van de namen van Taxandria te nemen om vast te stellen in welk geografisch verband ze thuishoren. Van de 43 namen behandelt Ton Spamer er vijf en slaat hij er 38 over.

De hele lijst, met de traditionalistische interpretaties, voornamelijk van C. Wampach – die ze zelf uit Brabant kreeg aangeleverd en die ze nergens verantwoordt (23), hoewel hij ook drie namen in Luxemburg plaatste – van dr. P.C. Boeren (24) en van Brabants Heem, volgt hieronder; verder is de lijst nog aangevuld met plaatsingen uit het Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200 van R.E Künzel, D.P. Blok en J.M. Verhoef (25).

Rekenen we de Echternachse vervalsingen niet mee, dan verschijnen de meeste van de betreffende Noord-Brabantse plaatsen in de geschiedenis pas in de dertiende eeuw, sommige nog later, en een enkele in de twaalfde eeuw. Ondanks alle goede wil en ruime verbeeldingskracht – zelfs pure onzin is opgenomen aan de zijde van de traditionalisten zodat ze niet mogen klagen – blijven voor Brabant vier volslagen onplaatsbare namen over; tellen we daar de onmiddellijk onhoudbare bij op 26. Albert Delahaye plaatst 42 van de 43 namen, mét argumentatie en ín geografisch verband, en komt tot de conclusie :

«Taxandria, een landstreek, die volgens de teksten tegen de gebieden van de Friezen lag en in de nabijheid van de Monden van de Renus, lag op de Frans-Belgische grens tegen het huidige Belgische Brabant aan. Later wordt de naam sinoniem met Bracbante; veel later volgde via de naam Bracbante de onjuiste opvatting dat Taxandria de huidige provincie Noord-Brabant zou zijn geweest of mede omvat zou hebben.» (26).
De Taxandria-namen
Namen in documentenMythologisch oostelijk
Noord-Brabant
Ten noordwesten
van Atrecht

(Albert Delahaye)
AlfeimAlphenHalluin (Ned. Halewijn)
AngrisaEngelen !Angres
BaclaosBakelBailleul (Ned. Belle) of Bailleulval
BirniBern (Gelderland) ! of Birne ?Bierne (Ned. Bieren) ?
BudilioBudel ?Bully-les-Mines
DatmundaGmünd a.d. Our (Luxemburg) ! of Gemonde !Withmundi of Upen D’Amont
DiosneDiessenThiennes
DrielaTriele !Troisville
DurninumDeurneDouvrin (Ned. Doveren) of Dourvin
de rivier DutmellaDe DommelBedoeld de Lys
DuplaoDuffel (België) !Deûle (rivier)
Emple van St. NazariusEmpel !Ablain Saint Nazaire
Emple van St. LandelinusEmpel !Hamblain-les-Prés
EreslochEerselEscoeuilles
FleodedrumVlierden !Flêtres (Ned. Vleteren)
Haeslaos a.d. Dudmala(Ter) Aalst (Noord-Brabant of België) ! of Asselt !, of Hasselt (bij Overpelt) !Arleux-en-Gohelle of Allounge
HamaritdaOphemert !Emmerin of Assinghem
HatalleHedel !Hesdigneul
HeneslothEersel !Henneveux
HeopordumHapertHaubourdin
HerpinaHerpen ?Herrin
HeseHeze !Yeuse
HeziaHeeze (tussen Geldrop en Leende) ! of Milheeze ! of Heeze (tussen Eersel en Steensel) !Haisnes
Hoccascaute a.d. DutmalaBaschot (bij Diessen) of Hoxent (België) !Choques of Hocquinghen
HonainiisOnbekendOnnaing
HunseteHedel, of Hoenzadriel !Houdain
HuslothHulsel !Husselot
LevetlausLuissel ! of Lindert (België) ! of Lindel (België) !Lavislecour ?
Martfelde / MarvildeMeerveldhove ! of Maruilde !Merville (Ned. Meregem en Mergem)
MartrasOnbekendMartres
MeginumMegenMéghen
Ortinon / HortinaOrthen ?Ourton
OstorolNeerpelt !Ostricourt
ReploReppel ! of Poppel !Onbekend
RinharimOnbekendRiencourt
RosmalleRosmalenRoubaix (Ned. Robeke)
RumelachaRüm(e)lingen, Luxemburg ! of RuimelRumilly, Remilly-Wirquin, Rumilly-en-Cambrésis of Ruminghem
RumleosRuimelRumilly
TadiaTadler (Luxemburg) ! of Teede ! of Thede !Teteghem of Tatinghem (Ned. Tatigem)
de rivier TerchenaOnbekendTrinqoise
VaedritlaeumWaalre !Vaudricourt of Vaudringhem (Ned. Woudringem)
WaderloeWaalreWattrelos (Ned. Waterlo)
WafradochWaalre !Wattrelos ?

Met zoveel ontbrekende namen moet de conclusie wel luiden dat Texandria in ieder geval niet in oostelijk Noord-Brabant kan hebben gelegen, waar er na de betreffende periode nog eeuwenlang geen enkele plaatselijke documentatie is (27); de archeologie komt nog ter sprake.

c. Lagen Drouvin, Flêtre en Bailleul in de Peel ?

Alleen de Willibrord-documenten die op Deurne en onmiddellijke omgeving betrekking zouden hebben worden behandeld, aan al de andere wordt door Ton Spamer voorbijgegaan :

«Daar de schenking in Deurne – in 1966 onderwerp van een vinnige discussie – model kan staan voor de overige schenkingen in Brabant wordt Deurne hier plaatsvervangend voor alle Brabantse activiteiten van Willibrord behandeld.» (28).

Ondanks dat in 1966 iemand uit zijn vel sprong weten we nog altijd niet waarom uitgesproken Deurne zo plaatsvervangend model kan staan voor de rest en hoe het grotere verband kan worden vastgesteld vanuit een zó blikvernauwende kleinschaligheid.

Echternach maakt in 1156 aanspraken in Holland (zie daarover Willibrord). Aldaar geeft het al de aanspraken op in ruil voor een stuk land op Schouwen, hetgeen vervolgens uitdrukkelijk als schenking in plaats van als afkoop van rechten wordt vermeld. Niets daarover bij Ton Spamer. Vijf jaar later, in 1161, probeert Echternach het in Noord-Brabant, iets dichter bij huis, namelijk te Waalre, Vlierden, Diessen, Deurne, Bakel en Oss, en tevens in het Limburgse Susteren. Ton Spamer schrijft :

«Rond 1140 zat de abdij in grote financiële moeilijkheden, omdat links en rechts Echternachse goederen werden ingepikt, waarschijnlijk nog steeds door voogden en meiers.» (29).

Uit niets blijkt dat de financiële moeilijkheden voortkwamen uit het ‘inpikken’ van goederen; er is geen enkel document waaruit blijkt dat Echternach eerder ooit inkomsten uit die goederen zou hebben genoten. Het “omdat” en “nog steeds” is misplaatst en de schuldige voogden, meiers of mogelijke anderen van vóór 1161 blijven ongenoemd. Omgekeerd wordt Albert Delahaye ervan beschuldigd dat hij niet aantoont dat Echternach zich rechten begon toe te eigenen ná 1161, wat echter wel degelijk is gedocumenteerd. We kunnen het er mee eens zijn dat er rechten werden ontfutseld; er was immers een conflict. De vraag is alleen of dat vóór 1161 geschiedde, ongedocumenteerd en ten koste van Echternach, of daarna, gedocumenteerd, dóór Echternach.

Laten we de omstandigheden bezien. De rechten in het oorspronkelijke gebied verliepen met het in verval raken van het klooster te Afternacum, en nadat het klooster was verplaatst naar Luxemburg hoopte de nieuwe Benedictijner kloostergemeenschap aldaar honderden jaren later – na de investituurstrijd tussen kerk en staat (30) – vanuit de nieuwe vestiging allang verlopen rechten van elders weer op te eisen, wat verklaart waarom er zo’n groot gat in de documentatie bestaat (31).

Met de traditionalistische methode worden eerdere toestanden afgeleid uit latere bronnen, en die eerdere toestanden vervolgens opgevoerd als bevestiging voor diezelfde latere bronnen, een pracht van een cirkelredenering. Hoe kan het dat Echternach eeuwenlang nooit geprotesteerd heeft tegen de eeuwenlange ‘usurpatie’ van haar rechten en daarmee pas begint in 1156 ?

Tot het einde van de twaalfde eeuw is er bijvoorbeeld voor Deurne geen enkele andere bron dan de Echternachse, voornamelijk overgeleverd door het Liber Aureus van Theoderich van Echternach dat vanaf 1190 werd samengesteld. In 1161 (en niet “rond 1140” zoals Ton Spamer schrijft) komt Echternach met beweringen over meer dan vier eeuwen eerder, met niets daartussen (32). Hij beweert botweg :

«We hebben dus oorkonden die op Deurne betrekking hebben uit 721, 1069, 1100/1110, 1147 en 1161.» (33).

Die oorkonden hebben we helemaal niet. Nog afgezien van een onverklaarbaar hiaat van drie-en-een-halve eeuw tussen 721 en 1069 beschikken we alleen over vervalste afschriften die ná 1161 zijn vervaardigd. En de oorkonde uit 721 bestaat zelfs niet eens in afschrift (34). Alles wat Ton Spamer daarover te berde kan brengen bestaat uit een getuigenis van 750 jaar na de feiten; in 1471 zou de oorkonde hebben bestaan, althans volgens :

«de Keulse keizerlijke en kerkelijke gerechtelijk-notaris Friedrich von Hoensbach von Millingen» (35).

Diens getuigenis wordt nergens door bevestigd en kan bezwaarlijk onafhankelijk worden genoemd. Ton Spamer voegt daaraan toe :

«Dat overigens de Herelaef-oorkonde van 721, die in 1471 door notaris Hoensbach von Millingen werd gezien en voor echt verklaard, een vervalsing was, is theoretisch uiteraard best mogelijk. Er werd zoveel vervalst.» (36).

Juist, en het is niet alleen ‘theoretisch’, maar ook praktisch mogelijk, en Ton Spamer heeft niet meer dan ‘circumstantial evidence’, zoals hij het noemt, van vele eeuwen later, en dat bestaat uit niet méér dan de aanspraken van de vervalsers en hun handlangers. Hij kan geen enkel origineel stuk overleggen van vóór 1161 (37).

Laten we zien hoe Albert Delahaye deze vijf oorkonden weergeeft, mét het commentaar dat bij Ton Spamer onweersproken is gebleven :

«Tekst 505
721. Schenking van Herelaef.
Herelaef schenkt aan de kerk van de apostelen Petrus en Paulus en van de heilige bisschop Lambertus, die hij onlangs in de plaats Baclaos gebouwd heeft, waar nu bisschop Willibrord de beheerder is, drie hoeven met toebehoren uit zijn moederlijk erfdeel in het genoemde Baclaos; eveneens een hoeve in Fleodredum en een hoeve in Durninum. De akte is uitgegeven te Baclaos.
Bron: Wampach, Quellen, nr. 30.
Camps, Brab. Oork. nr. 8.
Nota 505-1. Baclaos is Bailleul op 14 km oost van Hazebroek. Fleodredum is Flêtre op 6 km noord-west van Bailleul. Durninum is Drouvin op 4 km zuid van Béthune, of Douvrin op 13 km zuidoost van Béthune. Op te merken valt, dat de akte niets over Taxandria bevat noch iets anders dat op Brabant wijst, zodat Camps met de determinatie van Bakel, Vlierden en Deurne weer vijf eeuwen op de historische feiten in Brabant vooruitloopt. Vanzelfsprekend vliegt hij ook met open ogen in de vervalsing met betrekking tot het patronaat van St. Lambertus voor de kerk van Baclaos; op dat tijdstip was pas de eerste Lambertus-kerk in Luik gesticht.»
 (38).
«Tekst 652
1069, mei 6. Bulle van paus Alexander.
Paus Alexander II bevestigt de bezittingen van het klooster van Aeftemacum (Eperlecques), namelijk de moederkerken en kapellen in de pagus Muslacensis in Putilinge en Bethinberche en de kerk van Crovia; Rinerum met de kerken en zijn onderhorigheden: Kennele, Millinga, Tremethe, Reple; Waderlo met de kerk en zijn onderhorigheden: Dissena, Durne, Os, Bachlo met de kerken en toebehoren; Muomendorf, Berge, Munderdinga met de kerk en de onderhorigheden; Ezich, Rodernakere, Wilre, Gicherlinga, Gemtinga, Geina en Bollendorf.
Bron: Wampach, Quellen, nr. 195.
Nota 652-1. Deze bulle is een complete vervalsing. Men zou bladzijden nodig hebben om alle punten van vervalsing aan te wijzen. Mogelijk is dat paus Alexander een akte aan de abdij verleend heeft, die evenwel onmogelijk deze inhoud kan hebben gehad. Eenieder merkt op dat wat namen uit de oude akten bij elkaar zijn geraapt en dat die volkomen foutief gegroepeerd zijn. In geen enkele oude akte staat dat die vier kerken aan Rinerum ondergeschikt waren, te minder omdat die akten niet eens over kerken spreken. Hetzelfde geldt voor Waderlo met zijn vier onderhorige kerken; in de teksten van Taxandria is evenmin sprake van kerken. Welgeteld drie plaatsen van Luxemburg worden aan het einde opgesomd, waar Echternach in werkelijkheid bezit had. Vanzelfsprekend dateert deze vervalsing niet van 1069 maar uit het begin van de l3e eeuw. De akte, zelfs al is zij een vervalsing, toont dan ook afdoende aan dat de vorige over de 25 kerken van Holland ook vals is, want als dat bezit waar was geweest, had Echternach ’t toch zeker door de paus laten bevestigen.»
 (39).
«Tekst 656
tussen 1100 en 1110. De aartsbisschop van Keulen over de voogd van Taxandria.
Aartsbisschop Frederik van Keulen regelt, op verzoek van abt Theofried van Echternach over het optreden van graaf Hendrik van Namen als kloostervoogd van Taxandria in Waderloe, Thurne en Dissena, de rechten van de kloostervoogden.
Bron: Wampach, Quellen, nr. 201.
Camps, Brab. Oork. nr. 34.
Nota 656-1. De akte is een totale vervalsing en wel om een heel simpele reden, die ze in Echternach niet kenden. Zij is natuurlijk opgesteld omstreeks 1220 toen Echternach al kerken in Tiel en Drumpt bezat, waarvoor ze met het bisdom Keulen te maken had. Maar Theoderich stond al met een loens oog naar Brabant te loeren. Hij fabriceerde daarom een akte van de bisschop van Keulen en schoot daarmee de bok van de l3e eeuw, daar hij een akte had moeten maken voor de bisschop van Luik, want Brabant ressorteerde onder Luik. Camps loopt achter Theoderich aan en stopt de haas in zijn weitas.»
 (40).
«Tekst 659
1148. Echternach vervalst pauselijke bullen.
Paus Eugenius III neemt het klooster van Echternach in bescherming en bevestigt zijn bezittingen. Opgesomd worden: de zogenaamde Hollandse kerken (het hele rijtje uit de akte van 1063, zie Tekst 651); dan volgen enige namen uit Luxemburg; dan: Rinera met de kerken en onderhorigheden Kennele, Millinga, Trimethe, Reple; Waderle met zijn kerken en onderhorigheden. Dan volgen weer 51 plaatsen in Luxemburg. Daarna staat: ook de bezittingen in de plaatsen aan de zee, namelijk Walichra, in de Schelde, de beide Bevelanden en Brinsila.
Bron: Wampach, Quellen, nr. 205.
Camps, Brab. Oork. nr. 51.
Nota 659-1. De bulle van de paus over de bescherming van de abdij en de bevestiging van haar goederen zal wel echt zijn, en zonder veel twijfel zijn de daarin vermelde Luxemburgse plaatsen juist. De Hollandse en Zeeuwse plaatsen zijn er later aan toegevoegd, wat in dit geval met absolute zekerheid bewezen is. Immers, als de abdij van Echternach met deze bulle van de paus naar de graaf van Holland was gestapt, zou hij hem binnen vijf minuten plat gekregen hebben. Ergo: had zij die bulle in 1156 niet en werd zij pas ná die tijd vervalst. Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor Waderlo. De grote oorkonden-kenner Camps merkt dat niet op en krijgt dan ook terecht de titel van interpolaties- kampioen, want hij vliegt er slag op slag in.»
 (41).
«Tekst 663
1161, juni 9. Paus Victor bevestigt Echternach.
Paus Victor IV neemt het klooster van Echternach in bescherming en bevestigt zijn bezittingen: Putilinga en Betinberche in de pagus Muslacensis en de kerk van Crovia; Rinera met de kerk en zijn toebehoren Dissena, Durne, Bacle, Os met de kerken en hun toebehoren; dan volgen 55 plaatsen in Luxemburg. Dan: de bezittingen in de plaatsen aan de zee: namelijk in Walichra, in de Schelde, de beide Bevelanden, in Brinsila. En de bezittingen bij de Schelde, die Dirk graaf van Holland als restitutie gegeven heeft.
Bron: Wampach, Quellen, nr. 208.
Camps, Brab. Oork. nr. 61
Nota 663-1. De bulle is vervalst om dezelfde redenen die bij de vorige teksten gegeven zijn. De laatste zin is juist na de “restitutie” van 1156. Merk goed op, dat de passage over de 25 kerken in Holland er niet meer in staat. De vervalsers uit de 13e eeuw hebben perfect begrepen dat dit in een stuk uit 1161 geen zin meer had. Merk ook op dat Echternach in Luxemburg hetzelfde spel aan het spelen was met oude namen uit de akten van Eperlecques om claims te leggen op Luxemburgse plaatsen, die wat lijken op de Franse plaatsnamen van eeuwen terug.»
 (42).

Voor de vervalsingen werd gebruik gemaakt van oudere documenten die afkomstig waren uit Afternacum-Eperlecques, waar het klooster van Willibrord zich bevond, en die van her en der bijeen waren gekopieerd omdat Echternach zelf had niets. De plaatsen : Waderloe, Fleodredum, Dissina, Durninum, Bacle, waren oorspronkelijk : Wattrelos, Flêtre, Thiennes, Douvrin of Dourvin, Bailleul; terwijl Os voor ‘Oss’ door Echternach is toegevoegd op grond van een kopieerfout (Baclaos werd Bacla Os, volgens H.P.H. Camps, je moet er maar op komen).

Echternach had in de twaalfde eeuw natuurlijk twaalfde eeuwse plaatsen op het oog. Ton Spamer maakt daar een vroeg-middeleeuws Waalre, Vlierden, Diessen, Deurne, Bakel en Oss van. Het is een fundamentele historische regel dat er een tweede bron nodig is ter bevestiging, en die bestaat niet voor Noord-Brabant.

Fleodedrum bijvoorbeeld wordt alleen vermeld in de bovenstaande tekst van 721. Tellen we de Echternachse documenten niet mee, dan wordt Vlierden pas voor het eerst vermeld in 1350 (43), zes eeuwen later. Dat werpt zelfs een raar licht op de datering van de vervalsing. Nu kan Ton Spamer het ongetwijfeld ‘linguïstisch hardmaken’ dat de naam Fleodedrum zich in zes eeuwen tot Vlierden kon ontwikkelen, maar hij wordt daarbij wel wat al te veel geholpen door het ontbreken van enige tussen-documentatie.

Om het geografisch verband vast te stellen waarin een naam thuishoort is het nodig alle documenten te raadplegen waarin die naam voorkomt. Vooraleer bijvoorbeeld van Waderloe Waalre te maken dienen eerst alle historische Waderloe-teksten bij elkaar te worden gezocht, en niet alleen de Echternachse. Dan blijkt ondubbelzinnig dat het om Wattrelos gaat en niet om Waalre (44).

Zo hebben we niet één, maar twee controles, en bij beiden vallen het vroeg-middeleeuwse Waalre, Vlierden, Diessen, Deurne, Bakel en Oss genadeloos door de mand, net als de vervalsers van Echternach.

De wederwaardigheden met betrekking tot deze Noord-Brabantse plaatsen van ná 1161, die niets bewijzen voor de achtste eeuw, doen er hier verder alleen nog toe omdat ze duidelijk maken dat Echternach alleen geleidelijk ‘rechten’ verwierf en vervolgens uitbreidde. Voor één keer wordt Albert Delahaye letterlijk aangehaald :

«In enkele andere gevallen: Diessen, Deurne en Waalre, heeft de abdij van Echternach hetzelfde spelletje gespeeld van het wapperen met oude akten, het verdringen van bestaande rechten van anderen, en het intimideren van priesters en leken, die zich soms wel verzetten maar uiteindelijk het loodje moesten leggen tegenover de machtige rijksabdij.» (45).

Ton Spamer antwoordt :

«De “machtige rijksabdij”, waarover hij spreekt is dan dezelfde die jaar in jaar uit de bescherming van de keizer en de paus moest vragen om haar bezit niet kwijt te raken !
Helaas, van bestaande rechten van anderen – hier en in alle andere Echternachse bezittingen – is nog nooit en te nimmer iets teruggevonden. Er is in geen enkel Europees archief tot nu toe ook maar één protestbrief gevonden tegen bezits- en cijnsrechten van Echternach in Brabant, terwijl dat honderden(!) percelen betreft. Welke priesters en leken in ’s hemelsnaam geïntimideerd zijn blijft een raadsel; namen zijn nooit boven water gekomen.
Als er iets tegen deze bewering van Delahaye pleit, dan is het wel het feit dat de Brabantse hertog, na de koop van het graafschap St. Oedenrode met de daarbij behorende voogdij over de Echternachse bezittingen, vrijwillig de cijnsopbrengst o.a. in Deurne met de abdij deelde, zoals hiervoor beschreven. Als Echternach met al zijn aanspraken werkelijk geen been had om op te staan, zou dan de op macht en geld beluste hertog van Brabant ooit enig recht van Echternach op de helft van die cijnsgelden hebben erkend?
Al in 1966 is dit “dom geschrijf” genoemd en is Delahaye uitgedaagd het waar te maken, maar hij is hier nooit op ingegaan.»
 (46).

Tot dusverre was er nog nergens sprake van de bescherming door een keizer (47); maar áls er een keizer bij moest worden geroepen, dan zal, in tegenstelling tot wat Ton Spamer daarover beweert, de betaling op zijn minst met enige terughoudendheid hebben plaatsgevonden. Van de paus daarentegen kon Echternach – na de investituurstrijd en het monastieke offensief dat er op volgde waarbij allerlei kloosters ‘voormalige bezittingen’ begonnen op te eisen – juist medewerking verwachten. Als Echternach er dan toch toe overging pauselijke bullen te vervalsen kunnen de papieren niet sterk zijn geweest. Het ging dan ook niet om kwijtgeraakt bezit, maar om pogingen rechten in bezit te nemen. De aanspraken van Echternach in Holland en Antwerpen werden gekelderd, en Ton Spamer wil beweren dat niemand protesteerde ? Goed, beperken we het tot Brabant met zijn “honderden percelen”; meer bepaald tot Bakel, waar Echternach volgens Ton Spamer wat goedgeloviger mensen aantrof.

Als Ton Spamer gelijk had dan mochten we verwachten dat Echternach al haar historische aanspraken bij de eerste gelegenheid op tafel had gelegd om vervolgens een deel daarvan gehonoreerd te krijgen. Het omgekeerde gebeurde. Zodra een aanvankelijke aanspraak succes heeft volgt er een nieuwe, niet eerder gedane aanspraak met strijd daarover, hetgeen door Albert Delahaye is gedocumenteerd voor Bakel, Deurne, Diessen, Oss en Waalre :

«Tekst 674
1267. Parachute-landing van Echternach te Bakel.
In 721 ontving St. Willibrord drie hoeven land in Bacalos (Bailleul) ten gunste van de kerk aldaar, die was toegewijd aan de Twee Apostelen en St. Lambertus. Deze laatste patroon was voor Bakel onmogelijk, daar Lambertus op dat moment buiten zijn bisdom nauwelijks bekend was en pas onlangs in Luik de eerste Lambertus-kerk tot stand was gekomen. Toevallig heeft Bakel ook een St. Lambertus-kerk – ziet u ’t vicieuze cirkeltje al liggen? – en was een nieuwe “historische zekerheid” geboren dat Baclaos Bakel was. Dat de ene plaats in Frankrijk, de andere in Brabant ligt en de namen meer dan vijf eeuwen van elkaar zonder de minste tussen-documentatie verschijnen, wat zou dat? In 1260 erkende de abt van Echternach dat Gerard, een burger van Den Bosch, de helft van de tienden van Bakel verworven had, met de rechten en plichten uitgezonderd het patronaatsrecht van de kerk, welke tienden ridder Hendrik van Bakel tot dan toe van de abdij in leen had gehad. Laten we niet te zwaar tillen aan deze eenzijdige verklaring, die niet bevestigd is door andere gegevens. Het was de gewone tactiek van Echternach ergens een recht te pretenderen, om op een geschikt moment met zo’n ‘bewijs’ naar voren te komen. Het vervolg toont aan, dat ’t inderdaad niet meer is geweest dan het uitwerpen van een visje.
In 1267 ontstond een twist tussen kanunnik Arnold van Aldeneik, die de kerk en de zielzorg van Bakel gekregen had van de aartsdiaken van Luik en in zijn rechten bedreigd werd door kanunnik Arnold van Trier, die namens de abdij van Echternach optrad. In feite werd de strijd gevoerd tussen de abdij en het bisdom Luik, die beide het begevingsrecht opeisten. De zaak is in deze zin opgelost dat het recht van Echternach tot het voorstellen van de pastoor werd erkend. Uit niets blijkt dat Echternach dit recht baseerde op de akte uit 721, doch we mogen gerust aannemen dat die haar geïnspireerd had en dat zij voor de rechtbank ermee gewapperd heeft. Eenmaal daar gevestigd, lag het voor de hand dat Echternach zijn rechten uitbreidde. In 1326 verkocht Jan III, hertog van Brabant, aan de inwoners van Bakel en Aerle alle rechten binnen bepaalde grenzen tegen een jaarcijns; die rechten behoorden voor de helft toe aan de abdij van Echternach. Uit het jaar 1358 bestaan enige oorkonden over de tienden van Bakel. De kleine tienden behoorden toe aan de pastoor, een derdedeel van de grote tienden aan de abdij van Echternach. In 1399 verklaarden de zonen van Dirk van Gemert, dat zij de tienden der kerk van Bakel aan de abdij afstonden, dat zij Echternach geen verdere moeilijkheden in de weg zouden leggen, en dat zij alle oorkonden zouden afgeven die zij over de tienden in hun bezit hadden. Eindelijk, 132 jaren na de landing, heeft Echternach heel kerkelijk Bakel veroverd. Moet nog nader bewezen worden, dat de abdij rechten van derden verdrongen heeft, en dat zij links en rechts handlangers had zitten, die uit eigenbelang aan de loopgravenoorlog meededen?
Bron: Wampach, Urkunden, nrs. 125, 126, 127, 239, 441, 442, 445, 446, 666.
Camps, Brab. Oork. nrs. 2, 7, 8, 31, 51, 61, 134, 280, 307, 310, 696.»
 (48).

Of deze, voor Deurne :

«Tekst 677
1271. Echternach strijkt neer te Deurne.
In 1271 erkende ridder Hendrik van Bakel, dat hij al zijn vermeende rechten op de heerlijkheid Deurne aan de abdij van Echternach afstond. Wat die oudere rechten inhielden, van wanneer zij dateerden en hoe Echternach ze dan was kwijtgeraakt, valt niet te achterhalen; de abdij komt met die absoluut noodzakelijke vooronderstelling niet over de brug. Men proeft er dan ook een verdrukking in van andermans recht. In 1341 verkocht een zekere Arnold Stammelaert goederen onder Deurne en de tienden van Liessel, beide zaken als leen van de hertog van Brabant in zijn bezit. Er is geen sprake van Echternach. In 1392 verklaarden de inwoners van Deurne, dat Gerard van Deurne de helft der tienden in bezit had. Plotseling verschijnt in 1413 een akte van de abt van Echternach met de vermelding dat Katelina, schoondochter van Everard van Deurne, de helft der tienden van Liessel in leen ontvangen heeft van Echternach. Jammer genoeg is uit de akten niet op te maken, over welke helft het in 1392 en in 1412 ging; was het dezelfde helft, dan heeft de abdij van Echternach zich aan eenzelfde machtsmisbruik schuldig gemaakt als zij elders pleegde. In 1437 sloten de commandeur van de Duitse Orde en de abt van Echternach een overeenkomst, waardoor de nieuwe parochiekerk van Gemert werd losgemaakt van de kerken van Bakel en Deurne. Deze laatste zouden aan het patronaatsrecht van Echternach onderworpen blijven. Dit recht blijkt uit geen enkele stuk vóór of ná 1437. Het was een normaal foefje in die dagen: iemand anders, al had die daartoe geen bevoegdheid, een bepaald recht laten erkennen, zodat men zwart op wit “een bewijs” had dat dit recht bestond, en om er derden mee te overbluffen.
Bron: Wampach, Urkunden, nrs. 142, 330, 634, 744a, 744b, 823, 824.
Camps, Brab. Oork. nrs. 8, 31, 34, 51, 61, 134, 220.»
 (49).

Hoezo dus, Albert Delahaye heeft niet geantwoord ? Maar het heeft natuurlijk niet veel zin te antwoorden als die antwoorden ongelezen blijven.

De macht in Noord-Brabant was niet onverdeeld en eeuwenlang waren er conflicten met allerlei politieke spelletjes in vele richtingen. Godfried III van Brabant (1142-1190) bijvoorbeeld was verwikkeld in de Grimbergse oorlog (1141-1159) tegen het onafhankelijkheidsstreven van de Heren van Berthout in het noorden van zijn Hertogdom; het is onmiddellijk daarna, in 1161, dat de kwestie Echternach in Brabant begint te spelen. Jan I van Brabant (1267-1294) leefde in onmin met de Luxemburgse graaf op het moment dat de aanspraken in Bakel en Deurne worden uitgebreid. Hoe kan dan de gevolgtrekking worden gemaakt dat de hertog vrijwillig de cijnsopbrengst deelde met een abdij van buiten zijn hertogdom ?

d. Opgravingen in de Peel

Volgens Ton Spamer, zoals blijkt uit onderstaande illustratie, moet er te Bakel, op een belangrijk kruispunt van Karolingische wegen, rond 750 een Karolingische verblijfplaats of palts zijn geweest en volgens de bovenvermelde akte uit 721 bovendien een kerk van Willibrordus, hoewel Ton Spamer dat laatste weglaat. Waar stonden die ? Hij komt niet verder dan de stilzwijgende veronderstelling dat de opgravers hun best doen er omheen te spitten :

«Archeologisch onderzoek in Bakel in 2001 wees uit, dat op het terrein ‘Achter de Molen’ bewoning aanwezig was in de Karolingische periode» (50).

Karolingisch Brabant

Karolingisch Brabant, met de Karolingische residentie Bakel in de Peel op een belangrijk kruispunt van wegen, volgens Ton Spamer naar Eugen Ewig.
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Dat daar aan Willibrord geschonken goederen lagen is een ‘zou-kunnen’-bewering waarover de onderzoekers zeggen :

«Aangezien de opgraving op de hoger gelegen delen van Bakel is gesitueerd, bestaat er een goede kans dat deze onderdeel uitmaakt van de genoemde schenking. Zeker is dit echter niet daar er sprake kon zijn van meerdere grondbezitters in Bakel.» (51).

En ook :

«Aangezien de opgraving ‘Achter de Molen’, net zoals het grondbezit van het klooster van Echternach, op de hoge gronden van Bakel is gesitueerd, bestaat er een aanzienlijke kans dat de opgegraven boerderijen onderdeel uitmaakten van het bezit van Echternach. Wel is dit afhankelijk van de exacte datering van de opgraving.» (52).

Vóór 2001 was er niet de minste archeologische aanwijzing voor het Willibrord-avontuur in de Peel, en in 1966, toen Albert Delahaye met zijn ‘dom geschrijf’ kwam, was er dus ook niets. Archeologie werd zelfs niet nodig gevonden, want er was een traditie die onaantastbaar leek en er waren oorkonden die ‘voor zich’ spraken. Daar durft niemand meer mee aan te komen; het overtuigt niet meer. Vandaar dat er momenteel een smak geld wordt uitgegeven om in de Peel iets achtste-eeuws te vinden, om het even wat.

Vondsten in Nederland uit de Karolingische tijd zijn zeldzaam, zó zeldzaam zelfs dat ze allemaal bij elkaar vooral bewijzen dat er geen bewoning van enige betekenis was in die periode. Vandaar de opwinding over de ‘recente wetenschappelijke onderzoeksresultaten’, die iets Karolingisch (tiende eeuw ?) zouden hebben opgeleverd. Ton Spamer laat niet méér los over de aard van deze geheimzinnige en ongedateerde ontdekking dan : “vouwblad De Bakelse mens in de Middeleeuwen. Archol. Leiden, 2002” (53). Als hij wil beweren dat er iets is gevonden uit de tijd van Willibrord, dan dient hij te vertellen wat het is en met een duidelijke datering te komen. Maar vooral : wat diende te worden aangetoond is dat er een doorlopende bevolking sinds de achtste eeuw was, en die was er niet, net zo min trouwens als een kerk uit 721 (54), een Karolingische verblijfplaats of palts uit 723 of een kruispunt van wegen.

Wat betreft de andere plaatsen in de Peel : voor Deurne weet Ton Spamer “een prachtige bronzen riemgesp uit het midden van de vijfde eeuw” te noemen, waarvoor hij een opstel van eigen hand als bron opgeeft; en verder zegt hij :

«Grondig lokaal historisch en archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat ook voor de overige Brabantse plaatsen in de schenkingsoorkonden voldoende bewijs voorhanden is om hun rol in Willibrord’s aktiviteiten te handhaven.» (55).

Hij noemt ze niet bij name, geeft zelfs geen literatuurverwijzing, maar verwijst naar literatuurlijstjes van andere schrijvers in artikelen die ófwel niet eens over archeologie gaan ófwel over de archeologie van andere streken.

Maar voor Deurne heeft Ton Spamer nog iets in gedachte. Met vervalsingen uit 1271, 1413 en 1437 probeert hij het bestaan van zijn plaatselijke Willibrorduskerk te Deurne tot in de achtste eeuw op te rekken (56). In het document ‘van 721’ is geen sprake van een kerk te Deurne, maar alleen van een hoeve. De kerk verschijnt pas in de later vervalste Echternachse bulle gejaartekend 1069. Archeologisch weet Ton Spamer alleen ondateerbare “tufstenen resten” op te voeren waarop de gotische kerk uit de twaalfde of dertiende eeuw is gebouwd. Als voornaamste bron voor dat alles verwijst hij weer naar een tekst van eigen hand (57). Daarmee zijn de ‘recente wetenschappelijke onderzoeksresultaten’ voor de Peel wel zo’n beetje uitgeput.

4. Het Trajectum van Willibrord

a. Willibrord-mythen te kust en te keur

Utrecht is niet de enige stad met een Willibrord-mythe. Antwerpen heeft er ook een, en wel met ongeveer net zulke oude, of beter gezegd jonge papieren als Utrecht. Onlangs werd de nieuwe mythe in het leven geroepen dat Trajectum Maastricht zou zijn geweest. Laten we zien hoe Ton Spamer de concurrentie te lijf gaat, hoe hij Utrecht verdedigt en hoe hij omgaat met de werkelijke bisschopszetel van Willibrord te Tournehem.

b. Trajectum = Antwerpen ?

In Antwerpen, net als in Brabant, ontstaat de Willibrordus-mythe nadat Echternach er aanspraken maakte. Het is niet geheel en al aan de aandacht van Ton Spamer ontsnapt dat er inderdaad valse akten bestaan. Hij heeft daarbij met name enkele akten van Echternach op het oog die betrekking zouden hebben op Antwerpen, en hij schrijft :

«In elk geval is de oorkonde vals gebleken, volgens welke een zekere Rohing/Rauching in 694 aan Willibrord een kerk in de burcht van Antwerpen alsmede een deel van de rijkstol zou hebben geschonken. Het is maakwerk van de schrijver van het Echternachse Liber Aureus. Vermoedelijk gaat het terug op de reis van abt Theofried naar Walcheren in 1102 of kort daarvoor, die probeerde de bedreigde positie van Echternach te versterken door oude “bezitstitels” naar voren te halen. De falsaris verried zich echter door het vermelden van de Antwerpse burcht en de daarbinnen gelegen kerk welke pas in de tiende eeuw werd gesticht, terwijl het uitgesloten mag heten dat reeds in 694 een deel van de Antwerpse rijkstol aan Willibrord werd uitgegeven. Sinds de jaren dertig van de vorige eeuw werd meermaals gesteld, onder meer door F. Prims en G. Verbist, dat Antwerpen voor Willibrord zijn vaste basis was in gechristianiseerd gebied voor zijn missie in Friesland. Vervolgens werd dit bestreden door Post, omdat de bewering gebaseerd was op de schenking van Rohing welke een duidelijk falsum is. De bewuste schenking vond pas plaats in 726, aan het einde van Willibrord’s prediking. Toch dook de theorie weer op, onder meer bij W. Fritze. Hiertegen nam Werner in de jaren ’80 opnieuw en nu definitief stelling.
“Het castrum Antwerpen met de kerk van de H. Petrus en Paulus is tot nu toe niet gevonden, maar zal in het zuidelijk deel van de huidige stad gelegen hebben. Daar stond, in elk geval sinds de tiende eeuw, de Michaelskerk, die tot 1124 de moederkerk van het uitgebreide kerspel Antwerpen zou blijven. Tot op heden is op deze plek echter nog geen archeologisch spoor van een Romeinse of Merovingische vesting gevonden. De keizerlijke tol werd pas vanaf de tiende eeuw geheven ter gelegenheid van de bouw van nieuwe verdedigingswerken aan de Schelde. In de regio Antwerpen zoekt men verder tevergeefs naar sporen van hoogmiddeleeuwse bezittingen van de abdij Echternach”.
Dit alles maakt de aanspraak van Antwerpen om als het Traiectum van Willibrord te functioneren vrijwel onhoudbaar.»
 (58).

Begrijpe wie het begrijpen kan; de akte is vals omdat de gift uit 694 van niet bestaande goederen pas werd gedaan in 726 toen ze ook niet bestonden. De geschonken kerk en rijkstol stammen immers uit de tiende eeuw en de vervalsing uit 1102.

Dit betekent niettemin :

  • dat volgens Ton Spamer Echternach akten vervalste; hij schrijft zelfs “er werd zoveel vervalst” (59);
  • dat de akten betreffende Antwerpen en Deurne zijn samengesteld door dezelfde “falsaris” (doelend op abt Theofried van Echternach of op de proost Theoderich van Echternach), zoals Ton Spamer hem noemt, en met hetzelfde oogmerk, namelijk het valselijk opeisen van oude rechten;
  • dat, als de akten betreffende het Brabantse Antwerpen vals zijn, er wel heel goede gronden moeten worden aangevoerd om die met betrekking tot de Brabantse Peel voor echt te verklaren (60).

De combinatie Deurne-Antwerpen ligt blijkbaar gevoelig : bij Antwerpen ligt namelijk ook een Deurne, met klooster en al, en Antwerpen zelf heeft een oude Willibrord-traditie (61). Het verschil is dat Antwerpen weigerde te betalen terwijl Deurne in de Peel, zij het onder protest, bakken geld naar Echternach bracht. Wie van de twee was slechter af ?

Anders dan Ton Spamer denkt is het probleem niet opgelost wanneer de akten voor vals zijn verklaard. Hij gaat nergens in op het historische namenbestand dat in deze vervalsingen is gebruikt en vergelijkt het niet met andere bronnen. Volgens Albert Delahaye ging het bij ‘Andoverpenses’, zoals blijkt uit de geografische context van het geheel van de documentatie van bisdom en abdij van Willibrord, oorspronkelijk om één van de aanwerpen, meest waarschijnlijk Andres net onder het Almere, of anders Marck ten oosten van Calais of nog dichter bij Calais, midden in het Almere (62).

Volledigheidshalve geven we hier de belangrijkste plaats bij Albert Delahaye met betrekking tot Antwerpen :

«Tekst 477
692 of 726. De burcht van Antwerpen.
Rohingus, een man van grote verdiensten, schonk hem bij testament een kerk in de burcht van Antwerpen, gelegen aan de rivier de Schelde in de pagus Renensis (van de Schelde) met de daarvan afhankelijke plaatsen en het derde deel van de tol in die burcht, die nu een mark van het rijk is.
Bron: Thiofridus, Vita S. Willibrordi, AS, nov. III, p. 467.
(692). Rohingus schenkt aan St. Willibrord een kerk in de burcht van Antwerpen, gelegen aan de rivier de Schelde in de pagus Renensis (van de Schelde) alsook het derde deel van de geheven tol in de burcht die nu een mark van het rijk is.
Bron: Wampach, Quellen, nr. 34.
726. Rohingus en zijn vrouw geven aan St. Willibrord een kerk die gebouwd is bij het kasteel van Antwerpen aan de rivier de Schelde en die bisschop Amandus ter ere van de apostelen Petrus en Paulus gebouwd had. Aan Firminus, de abt van het klooster Quortolodora geven zij in ruil de plaats Tumme. De akte is opgemaakt in het koninklijk domein van Weimodo.
Bron:Wampach, Quellen, nr. 34.
726. Rohingus en zijn vrouw schonken aan de kerk van de apostelen Petrus en Paulus, die bisschop Amandus in Antwerpo heeft gebouwd, waar St. Willibrord aan het hoofd staat: al hun bezit van vaders kant in de plaats Sprusdare in de pagus Renensis (van de Schelde) aan de rivier de Huita en de helft van hun bezit van moeders kant in de plaats Winlendechim.
Bron: Wampach, Quellen, nr. 35.
Nota 477-1. De tekst van Theofried en de drie akten uit het “Liber Aureus” kunnen beter samen behandeld worden, al zal het niet gelukken alle tegenspraken op te lossen. Laten we eerst de juiste plaatsen aanwijzen.
Antwerpo betekent natuurlijk niet Antwerpen dat in 692 of 726 nog niet bestond. Het was een “aan- werp” = nieuw opgeworpen land in de buurt van Coulogne en Marck bij Calais, wat dezelfde plaats is die volgens Levens van St. Eloi en St. Amandus een halve eeuw vroeger door hen bezocht is. Dat daar al vóór de aankomst van St. Willibrord een kerk bestond, is dus geheel te aanvaarden. De pagus Renensis is die van de Schelde, want vlak boven Boulogne lagen de Monden van de Renus (Schelde). Quortolodora is Carly op 10 km zuidoost van Boulogne, voorheen als Quertliacus bekend. Tumme is Teneur op 12 km noordwest van St.-Pol, voorheen in regionale bronnen als Tummis bekend. Weimodo staat gelijk met Wimodia, Withmundi en andere gelijksoortige namen en was een plaats bij Wissant op 16 km zuidwest van Calais. Sprusdare is Esquerdes op 7 km zuidwest van St.-Omaars. De naam van de rivier Huita – spreek uit Wieta – is een gegermaniseerde vorm (wit) van de Albis, de witte rivier, en duidt de Aa aan, waaraan de plaats inderdaad ligt. Winlendechim ten slotte is Wicquinghem op 10 km zuidwest van Fauquembergues. Alle plaatsen zijn aan te wijzen en ze liggen dicht bij elkaar. De fabel van St. Willibrord te Antwerpen kan voorgoed vergeten worden; geen enkele naam is dáár aan te wijzen en allerminst die van Antwerpo zelf waarvoor de grond pas eeuwen later daar zou aangeworpen worden.
De oorspronkelijke teksten kunnen dus niet van Antwerpen gerept hebben. Maar na vier eeuwen legde Theofried ze zo uit en maakte hij er meteen “de burcht” van, gaf die een stel ondergeschikte plaatsen (die hij niet kende en derhalve niet kon noemen) en claimde meteen ook maar het derde deel van de tol. Hij voelde wel aan, dat hij zijn fatsoen moest houden en niet de hele tol kon eisen. Andere teksten spreken niet over een tol. Het zal wel duidelijk zijn, neem ik aan, dat de in Tekst 477 toegevoegde drie zogenaamde akten opgesteld werden aan de hand van Theofrieds tekst. Plaatsnamen die ál te vreemd klonken, sloeg men daarbij maar over.
In het zogenaamde Testament van St. Willibrord staan bij Andoverpo nog: Bacwaldus is Bacoval, gehucht van Estrée-Warnin op 27 km west van Atrecht. Furgelarus is Fouquières-lès-Lens op 4 km oost van Lens, of Fouquières-lès-Béthune op 2 km zuidwest van Béthune. Vandaag aan de dag is er (gelukkig !) geen Belgisch of Vlaams historicus meer, die deze teksten voor Antwerpen opvat. De Belgen zijn al ’n stuk verder gevorderd dan de onnozele halzen uit oostelijk Brabant, die proberen te pronken met een nog veel doorzichtiger mythe.»
 (63).

c. Trajectum = Maastricht ?

Nieuw is de mythe dat Trajectum Maastricht was. Hans Kreijns geeft in een opstel 27 Trajectum-citaten, waarvan er volgens hem 11 bij Utrecht en 16 bij Maastricht horen. Van deze 27 citaten slaat Ton Spamer er 26 over zodat hij er niet op kan bogen de opvattingen van Hans Kreijns te hebben weerlegd. Beperken we ons tot het ene waarnaar Ton Spamer wél verwijst, en dat we hier volledig weergeven in de versie van Hans Kreijns :

«** 21. Gesta Fontanellensis. Geschreven ±835.
Karolus…iussit eum…et in Traiecto castro exilio trudi, quod antiquo gentium illarum vocabula Viltaburg, id est oppidum Wiltorum vocabatur veri lingua gallica Traiectum nuncupatur.
(Karel… beval dat hij [Wando]…in ballingschap gedreven moest worden, in het fort Maastricht, dat in de oude taal van dat volk bekend is als Viltaburg, dat is, het oppidum van de Vilten, maar in de Gallische taal is het bekend als Traiectum). De schrijver van de “Gesta” heeft blijkbaar deze tekst gelezen bij Beda. Dat hij zich vergist, en niet Maastricht bedoelt, is vrijwel uitgesloten. 90 Jaar na datum moet hij zeker wel geweten hebben, in welke stad St.Servatius vereerd werd.
Erat autum adhuc in exilio idem Wando in Traiecto castro.in monasterio videlicet beati Servatii.
(Wando zelf echter was nog in ballingschap, in het fort Maastricht in het klooster namelijk van St. Servatius).
(M.G.S. II, p.277; PSHAL [Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg, Maastricht] 127, nr. 59).»
 (64).

Ton Spamer geeft alleen een stukje van de Nederlandse vertaling weer en protesteert :

«Dit is een uiterst suggestieve manier van citeren, want in de oorspronkelijke Latijnse tekst staat niet “Fort Maastricht” maar “in traiecto castro” (65).

Het is maar goed dat Hans Kreijns het Latijn erbij heeft gezet anders had Ton Spamer het niets eens opgemerkt. Het is Ton Spamer die hier met een citaat knoeit om een vinger te kunnen uitsteken en hij volgt zélf een procedure die hij anderen verwijt. Voor een tekst uit 769 geeft hij bijvoorbeeld zonder meer :

«de plaats welke “Traiectum wordt genoemd aan de rivier de Rijn” (66).

In het Cartularium van Radboud kan natuurlijk nooit “Rijn” hebben gestaan omdat die naam nog niet bestond. Er stond “Reno”, wat Ton Spamer liever in een voetnootje wegmoffelt (“qui dicitur Treiecto super fluvium Reno”), al te meer omdat hij alleen een obscure bron uit 1875 opgeeft (67).

In alle vertalingen van klassieke teksten, in geschiedenisboeken, handboeken en encyclopediën wordt Renus zonder meer vertaald met Rijn, wordt Trajectum vertaald met Utrecht, en Fresia met Friesland, hoewel die interpretaties alle drie fout zijn, en zonder de lezer er op te wijzen dat het hier om interpretaties gaat. Protesteert Ton Spamer daar ook tegen ? Nee natuurlijk niet, want die ‘vertalingen’ komen te pas in de traditionalistische kraam. Als daarentegen iemand netjes het Latijn geeft met vertaling, en met interpretatie van de tekst, dan noemt Ton Spamer dat ‘suggestief’ !

Maastricht is in documenten inderdaad terug te vinden onder namen als Trecht en Tricht, en wordt eveneens als Traiectum aangeduid, en Ton Spamer verwijst daarvoor naar A. van Berkum, maar alweer zonder een citaat te geven :

«De verwisseling Maastricht-Utrecht komt volgens hem veelvuldig voor.» (68).

Dat zou toch een aanleiding moeten zijn voor een wat meer gedegen weerlegging van de Maastricht-hypothese, maar Ton Spamer begint er niet eens aan (69). Laat die nieuwe hypothese trouwens maar een tijdje bestaan, dan zien we vanzelf wat het oplevert.

De reden waarom Ton Spamer alleen deze plaats aanhaalt terwijl hij de andere 26 overslaat is dat Viltaburg hem dwarszit. Wat hij níet opmerkt is dat Hans Kreijns de Noord-Franse elementen heeft weggelaten, namelijk Noyon, de Seine, Pont de l’Arche en Angers, waarover verderop meer. Ton Spamer had natuurlijk al net zo weinig reden als Hans Kreijns om dáárover veel drukte te maken.

d. Trajectum = Tournehem ?

Van iemand die beweert de opvattingen van Albert Delahaye te weerleggen mag worden verwacht dat hij in ieder geval probeert aan te tonen dat het Trajectum van Willibrord niet Tournehem-sur-la-Hem is. Ton Spamer wijdt daaraan, in tegenstelling tot de aanspraken voor Antwerpen en Maastricht, juist geen woord. Hij verplaatst het ‘historisch debat’ van het bisdom, dat hij maar laat zitten, naar de abdij van Willibrord.

De redenen waarom Trajectum Tournehem is zijn elders al gegeven (70). Utrecht verkreeg pas in de dertiende eeuw vanuit de abdij van Egmond een kopie van het Cartularium van Radboud, dat afkomstig was uit Gent en daarvoor uit de St.-Bertijnsabdij te St.-Omaars, vlakbij Tournehem. De honderden toponiemen uit dit Cartularium van Radboud kunnen bovendien allemaal in de omgeving van Tournehem en St.-Omaars worden aangewezen, het kernland van de Angelsaksische missionering.

e. Trajectum = Utrecht !

Nu Ton Spamer alle concurrentie uit de markt denkt te hebben geprezen, behalve Tournehem, waarover hij niets weet te zeggen, dient hij over te gaan tot het positieve bewijs dat Trajectum Utrecht was. Daarbij gaat hij meteen al vijf prangende vragen uit de weg :

  • Waar is Willibrord geland (71) ?
  • Hoe kon het dat zijn vroeg-middeleeuwse bisschopszetel zich op honderden kilometers afstand bevond van zijn vroeg-middeleeuwse abdij, en dat terwijl de bronnen uitdrukkelijk zeggen dat zijn klooster beneden de muren van Trajectum was gebouwd (72) ?
  • Hoe is het mogelijk dat de Willibrord-verering in Utrecht aanwijsbaar pas ná 1300 ontstond (73) ?
  • Waar in de omgeving van Utrecht zijn de 179 plaatsen te vinden die vermeld staan in de goederenlijst van Trajectum (74) ?
  • Waaruit bestond in Utrecht in de achtste en negende eeuw de wereldlijke macht (75) ?

Ten gunste van Utrecht weet Ton Spamer niet méér naar voren te brengen – zonder bronopgave – dan de bekende brief van Bonifatius aan paus Stephanus II :

«Bonifatius schreef in 753 aan paus Stephanus II dat Willibrord op de puinhopen van de ecclesiola (kerkje) van Dagobert een kerk “proprio labore a fundamento construxit et in honorem sancti Martini consecravit” (eigenhandig op de fundamenten heeft gebouwd en toegewijd aan Sint Maarten).» (76).

Daarmee is Ton Spamer al aan het eind van zijn Utrechtse Latijn. Hij probeert niet aan te tonen dat de brief betrekking heeft op Utrecht. Tekst en commentaar zijn te lang om ze hier geheel weer te geven, maar de brief bevat juist aanwijzingen dat het niet om Utrecht gaat (77).

Vervolgens heeft Ton Spamer het nog over de bouw van een tweede kerk te Utrecht (hij bedoelt Trajectum), de ecclesia Salvatoris, waarbij hij zich beroept op Frieslands oudheid van Herre Halbertsma; maar op de aangegeven bladzijde is er niets van die strekking te vinden (78).

f. Wiltenburg bij Utrecht

Het oude Trajectum van Willibrord werd in 717 en 839 ook Wiltaburg genoemd. Om aan te tonen dat Traiectum hier Utrecht is, en Wiltenburg Vechten, komt Ton Spamer aan met een zeventiende eeuwse boerderijnaam. Het is zijn belangrijkste argument. Die naam is volgens hemzelf echter ontleend aan de naam van de familie Wiltenburg, die in 1285 een kapelletje liet bouwen bij Vechten ten zuidoosten van Utrecht, dat in 1462 wegens bouwvalligheid moest worden afgebroken. De boerderij ‘Wiltenburg’ was blijkbaar op geen enkele oude kaart terug te vinden want Ton Spamer drukt een kaartje af uit de negentiende eeuwse Gemeenteatlas van de provincie Utrecht en hij zet er zelf maar een hele dikke stip op en met grote letters “Wiltenburg”.

Hij slaat de vroeg-middeleeuwse teksten (zie hieronder) over Wiltaburg op één na over en begint met oorkonden uit 1162 en 1178 (eeuwen ná Willibrord) waarin de naam Wiltenborch zou voorkomen, maar waarvoor hij alleen naar zijn bron uit 1875, een boek van J.J. De Geer van Oudegein, kan verwijzen, alweer zonder dat aan te halen (79). Vandaar komt hij bij Vrouwe Hadewich van Wiltenborch die gehuwd was met een Stefan van Zuylen en hun zoon Zweder van Wiltenburg en een vermelding uit 1388. In het boek van De Geer van Oudegein, de bron van Ton Spamer, staat niet geheel wat Ton Spamer er van maakt :

«Met het probleem Wiltenburg wist de auteur niet goed raad. Hij was er zich van bewust dat er vanaf de Middeleeuwen een Wiltenburg bij Vechten lag. Enerzijds vroeg hij zich daarbij af of de achtste-eeuwse geschiedschrijver Beda Venerabilis zich niet vergist had door Traiectum en Wiltenburg te laten samenvallen, anderzijds constateerde hij die eenheid ook in de Utrechtse bronnen en vroeg hij zich af of die niet in later tijd verloren gegaan was. Een latere toevoeging aan de tekst bij Beda achtte hij niet uitgesloten. Ook over de Wilten was hij sceptisch. Het was volgens hem het veiligst om aan te nemen dat Wiltenburg een oude inheemse Friese plaatsaanduiding van onbekende betekenis was.» (80).

In het vraagstuk waarover al eeuwenlang wordt gedebateerd, de vraag of Wiltenburg nu hetzelfde of iets anders was dan Traiectum, staat J.J. De Geer van Oudegein aan de ene kant, Ton Spamer aan de andere. Ton Spamer heeft gelijk dat de twee níet vereenzelvigd kunnen worden, hoewel hij zich daarvoor niet op Beda kan beroepen (zie verderop), hij vergist zich alleen in de aardrijkskunde.

Dat de naam ‘Wiltenburg’ uitsluitend in Vechten voorkomt, zoals Ton Spamer beweert (81), is gewoon niet waar. Bij Oucoop in Reeuwijk, vlakbij Bodegraven, bestaat eveneens een boerderij ‘Wiltenburg’, met papieren vergelijkbaar met die van de boerderij bij Vechten.

Wiltenburg

Wiltenburg volgens Ton Spamer
Fort Vechten is gebouwd tussen 1867 en 1870.
De aldaar gevonden Romeinse resten werden verlaten rond het jaar 300 (82).
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Albert Delahaye geeft over het vroeg-middeleeuwse Wiltaburg als eerste bewijsplaats (hierboven al weergegeven in de versie van Hans Kreijns) :

«Tekst 281
717. Trajectum of Wiltaburg.
Reginfredus, die tegen Karel Martel in opstand gekomen was, vluchtte naar Noyon. Daar leende hij een paard van abt Wando, stak de Seine over en begaf zich via Pont-de-l’Arche naar Angers. Karel Martel nam het Wando kwalijk dat hij zijn vijand geholpen had. Wando kreeg bevel in ballingschap te gaan en werd verwezen naar de burcht van Trajectum (Tournehem), Viltaburg (281-1) geheten, dat is de stad van de Vilti, die echter in de Gallische taal Trajectum wordt genoemd. (Enige regels verder vertelt de kroniek, dat Wando nog steeds in de burcht van Trajectum in ballingschap was, en wel in het klooster van St. Servatius! De schrijver verwart twee Trajecta; hij was misschien de eerste, maar beslist niet de laatste!).
Bron: Gesta abbatum Fontanellensium, MGS, ll, p. 277; HdF, II, p. 659.
Nota 281-1. Wanneer in deze periode plotseling een nieuwe naam verschijnt, zoals hier het geval is met Viltaburg voor Trajectum, moet men niet denken aan een gewelddadige expansie of immigratie van een nieuwe bevolkingsgroep, doch aan een wisselende naamgeving, waarvan de diepste reden ons ontgaat omdat zij niet in de bronnen na te speuren is. Men heeft dit concrete geval proberen op te lossen met de veronderstelling dat Traiectum – en dan dacht men natuurlijk aan Utrecht – een eenheid was, en Wiltaburg een andere eenheid, die zelfs niet bij elkaar behoefden te liggen en die de oude schrijvers per vergissing maar bij elkaar gevoegd hadden en identiek gemaakt. Zo ver behoeft men niet te gaan; verschillende bronnen spreken de identiteit van beide uit, wat bezwaarlijk te negeren is. Tournehem ligt op de scheidslijn van Saksen en Frisones. Het is mogelijk, zelfs zeer waarschijnlijk, dat de Frisones er aanvankelijk overheerst hebben. Wanneer deze streek later, ten tijde van Karel de Grote, een der meest aangevallen broeinesten van het Saksisch verzet wordt, terwijl men dan nog sporadisch van Fries verzet hoort, behoeft dit niet te betekenen dat een nieuwe bevolking de oude verdrongen zou hebben, maar dat deze zich anders is gaan opstellen en gaan noemen. Merkwaardig is immers dat de naam Vilti plotseling verschijnt wanneer de Friezen hardhandig door Karel Martel onderdrukt zijn. Men kan bij voorbaat uitsluiten, dat de stammen zo geïsoleerd van elkaar hebben geleefd, dat geen vermenging zou hebben plaatsgevonden en dat bij de Vilti, die een deel van de Slavi genoemd worden, reeds een grote Saksische inslag bestond. De Vilti zaten al langer in de streek. Dat hun naam pas in de bronnen verschijnt als er iets gebeurt, delen zij met andere Franse stammen, die ook maar een enkele maal worden genoemd. Overigens moet men bedenken, dat in de 7e en 8e eeuw het stambesef al ver afgesleten was, en dat de meeste zogenaamde “stammen” gewoon genoemd werden naar hun woonplaats, eventueel plaats van afkomst, daar verplaatsingen van bevolkingsgroepen evenmin te ontkennen zijn. Deze reconstructie wordt gesteund door het feit, dat er ook plaatsnamen aan te wijzen zijn die waarschijnlijk van Vilti zijn afgeleid, zoals Willeman en Willencourt, beide in het Pas-de-Calais; daar zijn ook verschillende Villars of Villers, waar de etymologie iets verder ligt, al behoeft het niet vooropgesteld te worden dat deze alle van “ville” zouden zijn afgeleid. Deze gegevens tonen aan dat de naam Wiltaburg ter plaatse aanvaardbaar is en er geen reden bestaat om zijn identiteit met Traiectum te verwerpen.»
 (83).

Ton Spamer geeft deze plaats niet, maar alleen een tekst uit Beda – waarvoor hij een Engelse editie uit 1907 opgeeft en daarbij alweer een verkeerde verwijzing opgeeft :

«Pippijn schonk hem een plaats voor zijn bisschopszetel in zijn bekende vestigingsstad die in de oude taal van dat volk Wiltaburg, dat wil zeggen: nederzetting van de Wilti, maar in de taal van Gallië Traiectum heet.» (84).

Dezelfde tekst vinden we volledig, mét de gegevens die niet op Utrecht passen, bij Albert Delahaye :

«Tekst 33
Viltaburg of Traiectum: 695
Pepijn gaf hem een plaats voor zijn bisschopszetel in zijn beroemde burcht, die door het volk van die streek met een oude naam Viltaburg werd genoemd, dat is de stad der Vilti, en die in de Gallische taal Traiectum heet. Nadat hij daar een kerk gebouwd had, predikte de eerbiedwaardige bisschop heinde en ver het woord van het geloof en bracht hij velen van de dwaling terug. Hij bouwde er verschillende kerken en enige kloosters. Kort daarna stelde hij in dezelfde streken ook andere bisschoppen aan uit de broeders die met hem of na hem gekomen waren als zendelingen, waarvan verscheidene reeds in de Heer ontslapen zijn (Beda zelf stierf in 735).
Bron: Beda, Historia gentis Anglorum, I, 11.
Nota: Het oud of nieuw zijn van ‘Viltaburg’ is ook geen halszaak. Wellicht was het altijd al de inheemse naam, tegenover de Romeinse die in de Latijnse documenten doorgaans gebruikt werd. In elk geval is ‘Traiectum’ geen frysk!»
 (85).

De volgende tekst bij Albert Delahaye is :

«Tekst 315
ca. 780. Wilti, Wilzi of Vilti.
Dicht bij de Saksen leefde een volk, de Vilti geheten (315-1). Het was een onderdeel van de Slavi en zetelt op de kust van de Oceaan (Atlantische Oceaan), noemde zich in zijn eigen taal Waletabi maar werd in het Frankisch Wilzi genoemd. Het was de Franken zeer vijandig gezind.
Bron: Einhardi annales, HdF, V, p. 209.
Annales Blandinienses, MGS, V, p. 22.
Nota 315-1. Toch was het gebied van de Vilti zozeer het centrum van het bisdom Traiectum dat de stad zelfs de naam van Wiltaburg kreeg. Met een tekst als deze, uiteraard geplaatst in de juiste streek, gaat men ook beter begrijpen, waarom het bisdom van St. Willibrord al kort na de dood van St. Bonifatius weinig activiteit en zelfs weinig levensvatbaarheid toont. Het sleept zijn bestaan nog enige tijd door, om enkele decennia later in de woelige tijd van de Noormannen te geraken.»
 (86).

Ton Spamer geeft ook deze tekst niet, maar omdat hij wel aanvoelt dat Oost-Europese Slaven en Utrecht niet écht goed bij elkaar passen geeft hij wél het volgende commentaar :

«De naam Wilten mag naar mijn mening niet verward worden met de Slavische Wilten in het noorden van Duitsland. Waarschijnlijk hebben we in Nederland met een inheemse stamnaam te maken.» (87).

Kortom, om te indruk te vermijden dat Utrecht in Oost-Europa lag of dat er Oost-Europeanen tot in Utrecht waren doorgedrongen is hij gedwongen om de Wilten, genoemd in verband met Willibrord, in Noord-Duitsland te plaatsen hoewel daarvan nergens sprake is en terwijl daar toen niemand woonde, en vervolgens ándere Wilten, volgens de bronnen nog steeds onderdeel van de Slavi of Sclavi, op te voeren om voor Utrecht de boel een beetje kloppend te krijgen. Deze Sclavi hadden niets met Oost-Europa te maken, maar woonden in Escavelle (88).

De laatste tekst bij Albert Delahaye luidt :

«Tekst 392
839. Keizer Lodewijk de Vrome in Frankrijk.
Keizer (Lodewijk) schreef een rijksdag uit voor de Kalenden van september te Cavalonem (Chalons-sur-Marne) en zond gezanten naar Lodewijk (de Duitser) met bevel niet meer uit Bajowaria (oost van de Aisne) weg te gaan… zijn andere zonen zond hij met Saksen tegen de Noormannen en de Sclavi; zelf hield hij zich bij de burcht Cruciniaco (Croisille of Croisolle) (392-1) onledig met de jacht… Er werden ook gezanten van de Saksen naar de Sorabi (Sorbais) en de Wilti (omgeving Tournehem) gezonden, die onlangs enige steden van de Saksische Mark in brand gestoken hadden: en van Austrasii (Austrachia = Ostrevant bij Atrecht) en Toringia (Doornik) tegen de Abodriti (Hébuterne), en die Linones heetten (nl. een deel van de Austrasii heette zo: Liencourt bij Avesnes-sur-Helpe) … zelf hield hij zich bezig met de jacht in het Ardenner Woud en kwam tegen de Kalenden van september naar Cavallone (Chalons-sur-Marne)… De Saksen streden tegen de Sorabi (Sorbais), die Colodici (Couloing, Aisne) heten, bij Kesigesburg (Chassigny, Haute Marne).
Bron: Annales Bertiniani, HdF, VI, p. 203.
Nota 392-1. Van Cruciniaco werd natuurlijk Kreuznach ten zuiden van Mainz gemaakt, wat blijkens de context uitgesloten is, die immers zegt dat de keizer in de Ardennen op jacht was.»
 (89).

In de traditionalistische opvatting werd hier de Eerste Wereldoorlog alvast uitgevochten, met legers uit Noord-Duitsland, Frankrijk, Scandinavië, Beieren, België, en Thüringen, en zelfs met Oost-Europese Sorbiërs en andere Slaven (90). De bron bestaat echter uit de Annalen van de St.-Bertijnsabdij van St.-Omaars, op, in rechte lijn, 250 kilometer van Utrecht, 240 kilometer van Maastricht en 160 kilometer van Antwerpen, maar op loopafstand van Tournehem. Uit deze geografische context blijkt overduidelijk dat het vroeg-middeleeuwse Wiltaburg in Noord-Frankrijk moet worden gezocht, en niet in Utrecht, waar de naam, honderden jaren later, werd verdubbeld vanuit een laat-middeleeuwse familienaam. In Bodegraven gebeurde waarschijnlijk het omgekeerde : een boerderijnaam werd familienaam (91).

Ton Spamer is ook heel goed in ‘als-dan’-constructies waarbij hij onderhands nog allerlei andere dingen naar binnen weet te smokkelen. In Vechten en omgeving – alle ‘moeizaam speurwerk’ en de ‘wetenschappelijke resultaten’ ervan ten spijt – is niets gevonden dat het vermoeden zou kunnen versterken dat zich aldaar een vroeg-middeleeuwse vesting of zelfs maar enige bewoning bevond. Daarom schrijft Ton Spamer :

«Als Vechten in Willibrords tijd nog een aanzienlijke versterking was, die wellicht een grotere veiligheid bood aan de inwoners van het half verwoeste Utrecht, dan is de verhuizing van de naam Wiltenborg zelfs voor de hand liggend te noemen.» (92).

Met zoveel ingebouwde veronderstellingen heeft het geheel buitengewoon onwaarschijnlijk nog iets met de historische werkelijkheid van doen. Er was geen stad en er waren dus ook geen inwoners, bovendien was er niemand om voor te vluchten, en Vechten was allang onverdedigbaar.

Het kapelletje wordt voor het eerst vermeld als de mythe al gevestigd is :

«Eerste geschiedschrijving
Het eerste middeleeuwse bericht dat expliciet van Utrecht als Romeinse versterking melding maakt, dateert, voor zover wij hebben kunnen nagaan, pas van omstreeks 1186. Utrecht maakte toen deel uit van het Heilige Roomse Rijk onder keizer Frederik Barbarossa. De koningen en keizers van dit imperium, dat grote delen van Europa omvatte, beschouwden zich, net als de Merovingen en de Karolingen, nog steeds als de opvolgers van de Romeinse keizers. Rond 1186 nu gaf een hofkapelaan van de keizer, Godfried van Viterbo, een zeer lovende beschrijving van Utrecht, waarbij hij ook melding maakte van een Romeinse oorsprong van deze stad. Volgens hem was Utrecht gesticht als een oorlogsbasis tegen de Friezen, van wie de Romeinen belasting wilden heffen. Uit Godfried van Viterbo’s beschrijving valt op te maken dat hij ook daadwerkelijk in Utrecht geweest is, zodat het voor de hand ligt dat hij deze informatie ook daar gekregen heeft.
Pas van een eeuw later dateren de eerste tekens van een eigen Utrechtse geschiedschrijving. We beginnen met een geschrift dat niet alleen om zijn inhoud maar ook om zijn overlevering uiterst merkwaardig genoemd mag worden. Die inhoud blijkt namelijk sterk af te wijken van wat in dezelfde tijd en kort daarna in andere bronnen over de oorsprong en eerste geschiedenis van Utrecht gezegd wordt. Het gaat hierbij om een handschrift dat in het begin van de achttiende eeuw in handen zou zijn geweest van de oud-katholieke kerkelijke geschiedschrijver Hugo van Heussen. Dat zegt ten minste Valentijn Blondeel, die een boekje schreef over de oorsprong van Utrecht, dat in 1757 is uitgegeven. We komen daar straks nog nader over te spreken.
Volgens Blondeel was dat oude manuscript geschreven door de domkanunnik Rudolf van Stoutenburg, die leefde aan het eind van de dertiende eeuw. Van Stoutenburg zou zich op zijn beurt hebben gebaseerd op een verloren gegaan liber memorialis, een memorieboek, van het Utrechts domkapittel. Blondeel had het geschrift van Van Stoutenburg bij Van Heussen mogen inzien en er een uittreksel, geen volledige transcriptie, uit mogen maken. Dat uittreksel staat in Blondeels boekje afgedrukt.
Oude gedenkstukken
Volgens Van Stoutenburg zou uit de oude gedenkstukken van de dom blijken dat de oorsprong van Utrecht heeft gelegen in vyf huizen of hutten op den boord van den Rhyn, welke door eenige landbouwers, jagers, en een Veerman bewoond wierden. Want voor de geboorte van Christus zou er al een veer of overtocht zijn geweest. Rond het jaar 200 zou een Vorst der Vriezen er een stenen kasteel hebben gebouwd. Om het groeiend aantal inwoners te huisvesten en te beschermen, werden daaromheen wallen gegraven, die rond 400 door stenen muren vervangen waren. Het kasteel heette Wiltenburg om dat het de burgt der wildvangers was, en het is zeker, dat de familie der opperjagtmeesters de naam van Wiltenburg aangenomen hebben. Aangezien de Friezen en de Saksen die hier woonden zich zeer roofzuchtig gedroegen, trok Keizer Valentiniaan rond het jaar 368 hen met een leger tegemoet, veroverde de stad en het kasteel Wiltenburg en onderwierp hen. Maar de Friezen en Saksen sloegen terug, waarna er een verdrag gesloten werd en de Vriezen de stad en het kasteel herstelden, en versterkten. Wat hierna in het geschrift van Rudolf van Stoutenburg volgde, had betrekking op de vroege Middeleeuwen.
Een deel van Van Stoutenburgs bevindingen treffen we aan in de Rijmkroniek van Melis Stoke, die waarschijnlijk leefde van omstreeks 1235 tot in of kort na 1305. Zijn werk gaat over het graafschap Holland en bevat maar weinig gegevens over Utrecht. Stoke zegt dat tlant beneden Nimaghen wilen Nederzassen hiet. Er woonde een wreet volc ende sterc, waarvan de hoofdstad Wiltenborch heette. Deze Nederzassen kwamen in opstand tegen keyser Valentiniaen, die in 366 keizer was geworden, maar ze werden door hem verslagen. Die Nederzassen heten nu Vriesen, voegt Stoke er ter verduidelijking aan toe. Dat hij met Wiltenborch Utrecht bedoelde blijkt even verderop, waar verteld wordt dat Willibrord quam tUtrecht dat Wiltenborch hiet te voren
 (93).

Utrecht, ná de Echternach-affaire en nadát het rond 1170 in kopie het Cartularium van Radboud (waarin Wiltenburg overigens ontbreekt) vanuit Egmond had gekregen, vertelt het verhaal van een heel oud Utrecht eerst aan een buitenstaander – nog zonder het Wiltenburg-gedeelte – en als die het heeft opgetekend wordt het honderd jaar later in Utrecht zelf uitgebouwd en vervolgens door Melis Stoke overgenomen – dit keer mét een, ongetwijfeld aan Beda ontleend, Wiltenburg. Voor de Utrechtse bron moeten we bovendien een achttiende eeuwer, die zich beroept op “oude gedenkstukken”, op zijn woord geloven (94).

g. Opgravingen in Utrecht

Over de archeologie van Antwerpen, Maastricht en Tournehem weet Ton Spamer weinig of niets mede te delen, wat niet betekent dat er daar niets is gevonden; hij slaat het over. Voor Utrecht is hij breedsprakiger, hoewel hij toegeeft :

«Het moet gezegd: Utrecht heeft het de historici niet gemakkelijk gemaakt. Er zijn in de post-Romeinse tijd overstromingen geweest en hoge waterstanden. Desondanks zijn er de laatste jaren toch cruciale vondsten gedaan.» (95).

Als hij ‘historici’ schrijft bedoeld hij traditionalisten. De traditionalist prof. dr. A.G. Weiler schreef in 1989 tandenknarsend :

«Helaas zijn bij opgravingen [in Utrecht] geen resten uit Willibrords tijd gevonden.» (96).

Er is sinds 1929 hard gezocht maar niets gevonden uit de tijd van Willibrord. Daarom is er telkens weer gezocht, want je weet maar nooit, misschien is er in de tussentijd iets nieuws bijgekomen. En waarachtig, Ton Spamer houdt ons voor :

«De fundering van de door Willibrord gestichte Salvatorkerk is teruggevonden.» (97).

Dat is oud nieuws. De vraag is hoe oud het gevondene is en wat het was. Ton Spamer doet verder geen poging om iets aan te tonen en citeert niets. Wel verwijst hij naar de discussie die te Utrecht is losgebrand, althans naar één traditionalistisch artikel van drie bladzijden daaruit (98), waarop we wat nader zullen ingaan.

In Continue discontinuïteit wordt de traditionalistische interpretatie van de teksten weliswaar voor zoete koek geslikt, maar voor de archeologie wordt vastgesteld dat deze voor hele perioden leeg is, terwijl de vondsten uit de verschillende perioden zich op steeds andere plaatsen bevonden, met andere woorden : zowel in plaats als tijd is er geen aantoonbare continuïteit :

«De Romeinse lagen worden afgedekt door een gele, okerachtige, kleilaag.»

Boven deze Romeinse laag :

«ligt in vrijwel de gehele binnenstad een pakket gele of okerachtige klei, van ca. 40 cm dik. De samenstelling van de klei en de plaats waar het ligt (op enige afstand van de vermoede geulen) wijzen erop dat we van doen hebben met komklei. Van dit soort klei wordt wel aangenomen dat het zich met ongeveer 1 mm per jaar afzet. Daarbij moet gedacht worden aan een – mogelijk jaarlijkse – overstroming in de winter, terwijl het gebied de rest van het jaar droog lag. Boven in het aangegeven kleipakket beginnen de 10de-eeuwse en latere sporen. De klei is dus afgezet tussen de laat-Romeinse periode en de 10de-11de eeuw. Het is dan ook duidelijk dat, stratigrafisch gezien, binnen dit kleipakket de vroeg-middeleeuwse periode gezocht moet worden. […] Hoewel dus toch wat vage grenzen zijn aan te wijzen, is tussen het Romeinse niveau en de 10de/11de eeuwse laag geen duidelijk vegetatieniveau zichtbaar.» (99).

Reken maar eens uit wat dat betekent voor de kans op een doorlopende bewoning. De – spaarzame – vondsten uit de Frankische tijd lagen “in een verder onbewoond gebied”.

«Hoewel dus een stukje ‘geschiedenis’ door de rivieren zal zijn geërodeerd, kan dit niet de enige verklaring zijn voor het ontbreken van gegevens uit de vroege Middeleeuwen. Het lijkt er ook op dat de bewoning van het castellum en het gebied daarbuiten beperkt is gebleven door de regelmatige overstromingen. Het rivierenstelsel met zijn jaarlijkse sedimentatie stond geen uitgebreide en/of langdurige bewoning toe. Grof gezegd is buiten de muren van het castellum Traiectum, Utrechts historie tussen 275 en 925 archeologisch vooral herkenbaar als een pakket van gesedimenteerde klei. Stratigrafisch gezien is daarbinnen alleen de Karolingische bewoning bij het Buurkerkhof en een slotenstelsel in de zuidelijk[e] binnenstad aangetroffen.
Wordt de geschiedenis van Utrecht topografisch bekeken, dan valt op dat de grafvelden, maar ook de bewoningssporen buiten het castellum, door de eeuwen heen nogal eens van locatie lijken te wisselen. Ook daarbij lijkt continuïteit niet het sterkste punt te zijn. Binnen het castellum hebben, gezien de verschillende topvondsten, wel regelmatig menselijke activiteiten plaatsgevonden, maar ook hier lijkt geen sprake van continuïteit. De spaarzame vondsten kunnen gemakkelijk verklaard worden door enkele, korter of langer durende perioden van occupatie van het castellum.»
 (100).

Ondanks de voorzichtigheid van de conclusies kon dat kennelijk niet onbetuigd blijven. Vandaar dat de redactie in een noot toevoegt :

«De auteur poneert een aantal theorieën die ingaan tegen de traditionele opvattingen over de continuïteit van de bewoningsgeschiedenis van de stad Utrecht. Daarom heeft de redactie het Archeologisch en Bouwhistorisch Centrum [ABC] van de gemeente Utrecht de gelegenheid gegeven een reactie te plaatsen. Mede in verband met voorgenomen opgravingen die nieuw licht op deze zaak kunnen werpen, zal deze reactie in het volgende Jaarboek worden opgenomen. » (101).

Een jaar later komt dan het antwoord – niet van het ABC dat daar van afzag omdat het, na ongetwijfeld rijp beraad en even ongetwijfeld verhit intern debat, niet meer in staat bleek een eensgezinde mening onder woorden te brengen – er kwam inderdaad een reactie, maar enkel van Tarq Hoekstra… op persoonlijke titel. En zelfs die voelt zich eerst en vooral genoopt om zich te verontschuldigen :

«Het doorwrochte artikel van Cees van Rooijen over de laat-Romeinse en vroeg-middeleeuwse geschiedenis van Utrecht in het vorige Jaarboek wordt gevolgd door een mededeling van de redactie, waarin het Archeologisch en Bouwhistorisch Centrum van de gemeente Utrecht (ABC) gelegenheid gegeven wordt te reageren op de opvattingen van Van Rooijen die nogal zouden afwijken van de ‘traditionele opvattingen over de continuïteit van de bewoningsgeschiedenis van de stad Utrecht’. Deze noot van de redactie is ook door mij, als toenmalig redactielid, goedgekeurd. Toch mist ze de kern van de zaak. Met betrekking tot de continuïteit van bewoning in het latere stadsgebied van Utrecht bestaat namelijk geen ‘traditionele opvatting’. Wel is er gedurende de laatste 25 jaar bij opgravingen binnen en buiten dat stadsgebied (Leidsche Rijn!) een aantal gegevens voor de dag gekomen die het ‘gat’ in de Utrechtse geschiedenis tussen het vertrek van de Romeinen in de late derde eeuwen de komst van de Franken in de zevende eeuw wat verkleinden. Ook de archeologische ‘leegte’ tot omstreeks 1000 is wat minder geworden.
Is voor mij continuïteit of discontinuïteit van bewoning op zich niet zo zeer een punt van discussie (het is meer de vraag of het glas nu half vol dan wel half leeg is), de gevolgtrekkingen die Van Rooijen uit de door hem behandelde vondsten en verschijnselen trekt, zijn dat des te meer.
Voor de volledigheid zij nog opgemerkt dat op wetenschappelijk gebied het ABC geen mening heeft. Die kunnen (oud)medewerkers wel hebben en uitdragen. Dat daar ruimhartig mee omgesprongen wordt, blijkt uit het feit dat Van Rooijen, als oud-medewerker, volledig toegang heeft gehad tot de voor zijn artikel benodigde gegevens.»
 (102).

Nadat Tariq Hoekstra zich eerst in redactieverband uitdrukkelijk beriep op een ‘traditionele’ visie kwam hij bij nader inzien op persoonlijke titel tot de slotsom dat deze… helemaal niet bestond ! Het gevaar dat hij daaraan zijn vingers kon branden moet in de overweging zijn meegenomen. Vervolgens durft hij het als een bijzondere verdienste op het conto van het ABC bij te schrijven dat het artikel van Cees van Rooijen (inmiddels verbonden aan het Rijksinstituut voor Oudheidkundig Bodemonderzoek) niet onmogelijk is gemaakt. Het blijft in het midden of hier de bereidwilligheid van de instelling dan wel die van afzonderlijke medewerkers in het geding was.

De steun uit de hoek van de traditionalistische geschiedkundigen is blijkbaar tanende. Tariq Hoekstra getroost zich vervolgens op persoonlijke titel veel moeite om de eigenlijke kwestie af te doen als een vraagstuk van archeologisch vertrouwen in de toekomst : hij schildert zijn opponent namelijk af als een pessimist (een ‘half leeg glas’; ondanks alle inspanningen kan het archeologische gat immers maar niet worden gedicht) en zichzelf als een optimist (een ‘half vol glas’; dankzij de vele onderzoekingen werd het gat kleiner gemaakt en wie weet wat er verder nog wordt gevonden). Zo gaat het niet meer over de werkelijkheid, maar over de wel érg hooggestemde verwachtingen van Tariq Hoekstra.

Het gat bestaat, daarover zijn er geen meningsverschillen, en dus is er vooralsnog geen enkele archeologische reden om aan te nemen dat er een doorlopende bewoning was. Tariq Hoekstra daarentegen neemt een doorlopende bewoning als uitgangspunt, wat een – hoewel volgens zijn zeggen niet meer bestaande – typisch traditionalistische aanname is.

«Het heeft weinig zin de door Van Rooijen gebruikte feiten en detail te behandelen. In het algemeen zijn de waarnemingen waarop zijn these stoelt, betrouwbaar. De grote verdienste van het artikel is juist dat het een groot aantal, vaak kleinschalige waarnemingen bijeenbrengt. Daardoor begint er – met name voor de zuidelijke binnenstad – een beeld van de fysische geografie te ontstaan. De vraag is echter of uit deze zeer lokale gegevens zulke vergaande conclusies getrokken kunnen en mogen worden» (103).

Kortom, hoewel het bewijsmateriaal in één richting wijst vindt Tariq Hoekstra het te vroeg om daaraan algemene conclusies te verbinden. Dan begint hij af te dingen op onderdelen die aan het algemene beeld niets veranderen. Zo zou de gegeven sedimentatie-snelheid van klei twijfelachtig zijn. Maar zelfs 30% sneller of trager (Tariq Hoekstra geeft geen alternatieve snelheid, maar beroept zich op niet uitgegeven en speciaal voor de gelegenheid gemaakte aantekeningen van de projectarcheoloog drs. E.P. Graafstal) maakt voor de algemene argumentatie nauwelijks verschil. Desalniettemin concludeert hij :

«De genoemde methodische terkortkomingen zijn op zich al voldoende aanleiding om de these van Van Rooijen, dat Utrecht tussen de Romeinse Tijd en minstens de tiende eeuw vrijwel permanent onbewoond is geweest wegens wateroverlast, af te wijzen.» (104).

Om zijn zogenaamd onbestaande, en door de archeologie ook niet ondersteunde traditionalistische uitgangspunt beter te kunnen verbergen verwijt hij Cees van Rooijen, die algemene conclusies verbindt aan wat archeologisch wél bekend is, gelijk maar de lata culpa van onwetenschappelijkheid :

«Duidelijk wreekt zich hier het roekeloos transporteren van verschijnselen uit een aantal kleine waarnemingen in de binnenstad naar een veel groter gebied daarbuiten.» (105).

Het is Tariq Hoekstra die zijn niet-bestaande traditionalistische aprioris van buiten het vakgebied van de archeologie, in flagrante tegenspraak met de archeologische gegevens, over heel Utrecht uitsmeert. Maar dan volgt er nog een ernstige waarschuwing aan het adres van Cees van Rooijen :

«Houdt hij aan zijn these vast, dan zal hij de resultaten van al deze opgravingen moeten verwerpen. Doet hij dat dan komt hij verdacht dicht bij de opvattingen van wijlen Albert Delahaye en zijn volgelingen die het bestaan van een vroeg-middeleeuws Utrecht überhaupt ontkennen en het in Noord-Frankrijk situeren, omdat hier de boel onder water zou hebben gestaan.» (106).

De opmerking is om drie redenen grof :

  • Cees van Rooijen hoeft de resultaten van de opgravingen niet te verwerpen en hij deed dat ook niet; hij verbond er slechts conclusies aan; het is Tariq Hoekstra zélf die de resultaten verwerpt want hij moet zich beroepen op wat er níet is gevonden;
  • Er bestaat geen enkel methodisch bezwaar tegen pogingen om de opvattingen van Albert Delahaye aan de hand van empirisch bewijsmateriaal te weerleggen maar Tariq Hoekstra staat niet bekend als een oudgediende op dit gebied;
  • Cees van Rooijen geeft er in zijn artikel uitdrukkelijk blijk van, hoewel het buiten zijn vakgebied lag en hij er beroepshalve dus geen boodschap aan had, de traditionalistische tekst-interpretatie tot de zijne te hebben gemaakt en hij geeft die ook uitvoerig weer.

Keren we terug naar Ton Spamer die angstvallig om de kern van dit debat heen draait. Het enige dat hij weet aan te halen om zijn beweringen over vondsten uit Willibrord’s tijd wetenschappelijk te staven komt uit een krantenartikeltje over… fietstochtjes (107) ! Het gaat over wat stenen die ter plekke zijn aangetroffen en waarvan onmogelijk kan worden vastgesteld wanneer of door wie er iets mee is gemetseld of waartoe het metselwerk heeft gediend. Terwijl het voor hem zonder meer duidelijk is dat het gaat om een kerkje zelfs van vóór Willibrord, dan laat een plaatselijke archeoloog, al keuvelend met de fiets-journalist, zich net íets voorzichtiger uit, met een misschien en een persoonlijke inschatting of eerder wensdroom :

«De Willibrordroute begint en eindigt op het Domplein en dat kan ook moeilijk anders, want hier, onder het plaveisel, liggen de resten van de twee kerkjes die de zendeling die van over de Noordzee kwam aan het eind van de zevende eeuw heeft gesticht. Dat wil zeggen, van een deel van die resten is dat zeker, van een ander deel niet. Maar vorig jaar heeft stadsarcheoloog Huib de Groot de fundamenten en andere overblijfsels van wat misschien het kerkje van Willibrord is geweest met eigen ogen gezien en aannemelijk gemaakt dat de brokken steen inderdaad uit de zevende eeuw stammen. Hij durft zelfs te zeggen dat hij er voor 99 procent zeker van is.»

De archeoloog, die zich op een bijzonder zintuig moet beroepen in afwezigheid van enige wetenschappelijke datering, voegt daar tot overmaat van ramp nog aan toe (maar dat is weggelaten door Ton Spamer) :

«Het vroegmiddeleeuwse bouwwerkje dat hier nog voor de kerk van Willibrord gestaan heeft is op een onbeholpen manier in elkaar geflanst. De aannemer van deze christelijke kerk (gebouwd in opdracht van de Merovingische koning Dagobert) zou nu beslist voor het basisexamen metselen zakken. Was het een misplaatst soort trots, dat de Utrechters van weleer ervan weerhield om de technische kennis van de Romeinse bezetter over te nemen? Zo simpel lag het niet. Toen Willibrord in zijn pij op het Domplein stond, waren de Romeinen daar al vier eeuwen weg. In de tussentijd was de stad dan weer in handen van de Friezen, dan weer in handen van de Franken geweest. Maar toch had ik een plaatsvervangende schaamte toen ik vorig jaar het broddelwerkje zag van mijn stadgenoten van weleer.»

Arme koning Dagobert ! Voor de archeologie van Utrecht schotelt Ton Spamer ons ook nog een plaatje voor uit een web-reclame voor een CD-Rom van Het Spectrum te Utrecht :

Salvator

Het Domplein

Volgens de bron : “Domplein rond 900”, waarbij er al een halve eeuw is gesmokkeld omdat zowel de bronnen als de archeologie eerst later beginnen.
Ton Spamer veroorlooft het zich om daarvan op eigen gezag te maken : “Het Domplein in ca. 800”.
Maar wat we eigenlijk zochten was : “Het Domplein in 695”.
Zo worden de eeuwen overbrugd.
De ‘S’ en de ‘M’ (niet de St.-Maartenskerk maar de Kruiskapel die in de achttiende eeuw werd afgebroken) zijn van de hand van Ton Spamer; ze verwijzen naar tiende eeuwse funderingen (108).
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Utrecht verschijnt in de schriftelijke bronnen in 940. De archeologie sluit daar wonderwel op aan. Behalve voor Ton Spamer. Want ‘recente wetenschappelijke onderzoeksresultaten’ van ‘moeizaam speurwerk’ blijken ook te bestaan uit wat losse voorwerpen van onbestemde herkomst hetgeen hij als volgt samenvat :

«Op het Domplein werden daarnaast Merovingische munten en een riemtong uit de periode 650-750 aangetroffen alsmede drie waarschijnlijk Merovingische armbanden, terwijl op het St. Pieterskerkhof de graven van twee Frankische jongens met kostbare grafgiften werden blootgelegd.» (109).

Als er zo weinig nieuws is gevonden dient de conclusie te luiden dat het werk de eerste keer al goed was gedaan. Er is opnieuw geen enkele duidelijke bewoning vastgesteld, laat staan doorlopende bewoning van een hele stad. Dan kan Ton Spamer natuurlijk op een kaartje van het centrum van Utrecht een vette ‘M’ zetten voor Merovingische vondsten en een vette ‘K’ voor Karolingische vondsten, waarbij het bovendien onduidelijk is of het om oude dan wel nieuwe vondsten gaat, maar het blijft niet meer dan een paar losse munten en armbanden en twee graven bij de Romeinse puinhopen. Utrecht is duidelijk tiende eeuws op Romeinse funderingen met bitter weinig daartussen. Dan kunnen we alleen nog maar verbijsterd uitroepen :

«Heilige Vader Willibrordus, hoed uw kudde : zie van uit den hemel neder op hen, die op deze woelige zee ronddobberen; en door uw gebeden en roemvolle verdiensten bevrijd ons van schipbreuk.» (110).

Want Ton Spamer geeft hier de transgressies, die hij elders zo hardnekkig probeert weg te praten, voor Utrecht juist volmondig toe.

5. Het klooster Afternacum van Willibrord

a. Afternacum, Eperlecques, Echternach

Nadat hij het probleem van de bisschopszetel Trajectum als Tournehem omzeilde verplaatst Ton Spamer de aandacht naar Eperlecques (Nederlands Sperleke) en Echternach, waarbij zijn voornaamste argument, met voorbijgaan aan de hele verdere rest, ontleend is aan de taalkunde. Ton Spamer beroept zich, tegenover Albert Delahaye, voor de volgende onthutsende logica op Arnoud-Jan Bijsterveld :

«Vervolgens wordt Nifterlaca [door Albert Delahaye] eerst gelijkgesteld aan Eperlecques en vervolgens Eperlecques aan Afterlacum = Epternacum = Efternacum = Echternach. Op zich is een ‘verschuiving‘ van -p- naar -f- en van -f- naar -ch- of omgekeerd linguïstisch geen probleem. Maar het verdwijnen van de begin-n- van Nifterlaca en de verandering van de -l- van Eperlecques in de -n- van Epternacum wordt niet onderbouwd. Linguïstisch gezien is dit niet hard te maken.» (111).

Het klooster van Willibrord wordt eerst vermeld als Nifterlaca; later wordt het Afternacum genoemd. Bij Tournehem, na het vertrek van het klooster, ontwikkelt de naam Nifterlaca – tussendoor komt ook de vorm Spirliacum voor – zich tot Sperleke in het Nederlands en Eperlecques in het Frans. In Luxemburg, na 973, wordt Afternacum verduitst tot Echternach, met Epternacum als latere Latijnse vorm. Albert Delahaye leidt de naam Epternacum dus niet af uit Eperlecques, maar Eperlecques uit Nifterlaca. Daarmee valt de hele redenering van Ton Spamer in duigen. Nadat hij daarop was gewezen herhaalt hij nog eens :

«Dat Echternach etymologisch niet uit Eperlecques kan zijn voortgekomen is al eerder door mij aangetoond.» (112).

Dat behoefde niet te worden aangetoond omdat niemand het beweerde. In een noot corrigeert Ton Spamer zichzelf, maar alleen om het nog erger te maken :

«Delahayes bewering dat Nifterlake via Afterlake tot Afternaken en Echternach kon evolueren is taalkundig volstrekt onmogelijk. De vergelijking van Afterlaken met het Engelse “after the lake” (achter het meer) is ridicuul. Het achtervoegsel –(in)iacum– komt in het hele Gallo-Romeinse taalgebied ontelbare malen voor.» (113).

Taalkundig volstrekt onmogelijk ! We hebben hier te maken met de historisch overgeleverde namen van de abdij van Willibrord zoals ze achtereenvolgens in de schriftelijke bronnen verschijnen. Het is Ton Spamer die zichzelf hier ‘volstrekt ridiculiseert’.

Albert Delahaye kan de naam Echternach niet tegelijk hebben verklaard uit zowel Eperlecques als uit Nifterlake, zodat Ton Spamer zonder het toe te geven plotseling iets anders beweert. De vorm ‘Afternaken’ is door Ton Spamer verzonnen en komt nergens voor. Dat Albert Delahaye ‘Afterlaken’ zou vergelijken met het Engelse ‘after the lake’ heeft hij ook al uit zijn duim gezogen want Albert Delahaye schrijft :

«voor “achter” staat in honderden Hollandse teksten “after”» (114).

En :

«Nifterlaca is een mooi voorbeeld van een geromaniseerde Germaanse naam: “nifter” betekent “naast” of “neffens”.» (115).

Dan vervolgt Ton Spamer :

«Delahayes stelling in dezen wordt ook in recente Franse studies niet ondersteund.» (116).

Ton Spamer verwijst niet naar ‘studies’, maar naar één studie, en dat is bovendien geen studie maar een inleiding in de toponymie van Noord-West Frankrijk. Daarin worden de opvattingen van Albert Delahaye niet behandeld, terwijl de naam Afternacum, die traditioneel aan Echternach wordt toebedeeld, buiten het onderwerp van het boek valt (117).

Ton Spamer had eerst het volgende kunnen lezen :

«EPERLECQUES TAALKUNDIG
Wanneer men de namen van Epternacum, Echternach en Eperlecques taalkundig gaat ontleden om er achter te komen of en hoe zij verband houden, dan beginnen de verrassingen pas goed. Laten wij, om het eindelijk eens naamkundig goed te doen, met de oudste vorm beginnen. Nifterlaca wordt genoemd in een schenking uit 722 van Karel Martel aan het klooster van St. Willibrord, in een schenking uit 834 aan de kerk van Trajectum, en in de (ongedateerde, 9e-eeuwse) goederenlijst van het bisdom. In de laatste is sprake van de visvangst in alle wateren van Nifterlaca, waarin Osterbarc gelegen was. Dit is Est-Mont onder Eperlecques. De naam Fislaca of Fislacu komt viermaal in de oorkonden van Werden voor, waarin tevens gezegd wordt dat in die plaats lagen: Widuberg, Burgbeki, Diapanbeci en Tottonthorra. Met uitzondering van de laatste naam, die niet meer terug te vinden is, zijn de drie namen bij Eperlecques aan te wijzen; het zijn geen plaatsnamen doch toponiemen, namen van een streek of enige percelen. De naam Weneswalda hoort er eveneens thuis (zie de desbetreffende woorden in het “Namenboekje”). Hierdoor wordt aangetoond, dat Fislaca in de akten van Werden een onbewuste of opzettelijke verschrijving is, daar zich in de nabijheid van het Duitse Werden de plaats Fischlaken bevindt. Even definitief kan de Nederlandse gouw Nifterlake afgedankt worden als het produkt van een fantaserende naamkundige. Op de authentieke plaats is de verklaring van de naam Nifterlaca gemakkelijk: nif = naast; laca = meer, het Almere, want Eperlecques lag op de oever van het nu verdwenen Almere.
Bij de verdrijving van het klooster van St. Willibrord in 857, dat zich te Berg in de Maasgouw vestigde, waar al een plaatsnaam bestond, werd het klooster aanvankelijk toch Nifterlaca genoemd. Daarna vindt men in de teksten de vormen: Aefternacum, Afternacum, waar men nauwelijks van opeenvolging kan spreken omdat niet bekend is wanneer de teksten werden geschreven of gekopieerd; dit laatste is meestal nog belangrijker. Het Nif- of Aef- werd in het Duits vanzelfsprekend Ech- (voor “achter” staat in honderden Hollandse teksten “after”), terwijl de verandering van -lacum in -nacum uit fonetisch gemak ontstond. Echternach is derhalve een rechte afleiding van Nifterlaca, waardoor tevens een taalkundig bewijs geleverd wordt voor de verplaatsing van St. Willibrord’s klooster van Eperlecques naar Echternach. Het spreekt vanzelf dat de latere Latijnse vorm Epternacum (met haar p als herinnering aan de f!), die men het meest tegenkomt in de latere geschriften, door de kopiïsten in de oorkonden is ingevoerd, omdat die de naam Nifterlaca niet meer begrepen of als een fout opvatten. Zodoende kwam Epternacum in akten van vóór 857 terecht, waar die naam chronologisch niet thuis hoort.
De naam Eperlecques op zijn beurt is eveneens rechtstreeks van Nifterlaca afgeleid. De evolutie van Nifter tot Eper- is geheel te aanvaarden; -lacum en -lecques zijn volkomen identiek. Voor de plaats vindt men vanaf de 11e eeuw de vormen: Spirliacum, Sperleca en zelfs Sperniacum, waar ook een verandering van l in n is zoals in Echternach. Er zijn meer soortgelijke Gallo-Romaanse namen waar Ep in Sp of Esp verandert, bijv. Epernon of Sparnon, twee namen voor dezelfde plaats. Het is zelfs opvallend, dat de evolutie van de naam na dat tijdelijke Sp- toch weer op Ep- terugvalt. De oudste vorm heeft zich tijdelijk laten terugdringen, maar is niet geheel verdwenen. Duidelijk is derhalve, dat in dit geval niet moet worden uitgegaan van de vorm Spirliacum, die beslist niet de oudste is
 (118).

Ton Spamer is er al eens voor gewaarschuwd dat het taalkundig voorzichtigheid is geboden op de taalgrens.

b. De verplaatsing van het klooster

Hoe meer Ton Spamer overslaat, des te minder weet hij van ophouden :

«Delahaye beweerde sinds de jaren zestig dat de abdij Echternach vanaf de twaalfde eeuw allerlei rechten usurpeerde die het bezit waren geweest van haar “rechtsvoorgangster” Eperlecques in Frans-Vlaanderen, welker naam later tot Echternach zou zijn geëvolueerd na de gedwongen “verhuizing” naar Luxemburg vanwege de Noormannen. Een vreemde en overbodige verhuizing, omdat het zeer nabije St.-Omer en Montreuil zich succesvol tegen de Noormannen wisten te verdedigen.» (119).

Waarom het gaat is dat documenten over voormalig bezit vervalst werden om elders goederen en rechten onrechtmatig in bezit te nemen. En volgens dezelfde merkwaardige traditionalistische logica had de bisschop van Utrecht ook meteen naar Deventer kunnen gaan in plaats van eerst naar Roermond (120).

De verplaatsing van het klooster vond niet plaats in 857, toen bisschop Hunger moest vluchten en vervolgens terugkeerde, maar in 973, ná de Noormannen, zodat Ton Spamer een allang door Albert Delahaye zelf gewijzigde opvatting probeert te weerleggen. Maar omdat hij toch iets over 973 heeft opgevangen zonder de betreffende boeken te hebben gelezen komt hij er niet meer uit. Albert Delahaye schrijft :

«Voorheen heb ik gemeend en gereconstrueerd dat de abdij van St. Willibrord en haar kloosterlingen in 857 met bisschop Hunger naar Luxemburg zouden zijn gevlucht en dat de abdij vanaf toen in Echternach haar bestaan zou hebben voortgezet.
Na een nieuw onderzoek der oorkonden van Echternach laat ik dit vallen om te constateren dat de abdij van Eperlecques in 857 allang niet meer bestond en dat haar goederen sinds 775 in handen van lekenabten waren. Terwijl het uiteraard uitgesloten is dat die goederen zelf daarbij van hun authentieke plaatsen zouden zijn geraakt, is dit echter wél met een stel namen gebeurd. Bij de vlucht of daarna bij de terugkeer van Hunger naar zijn bisdom komen abdij of kloosterlingen niet ter sprake. We begrijpen nu ook beter, dat en waarom de twee documentaties, van de ene kant het Cartularium van Radboud met de akten van het bisdom en van de andere kant het Liber Aureus van Echternach met de akten van de abdij, over en weer geen gezamenlijke raakpunten vertonen, hoogstens een paar zeldzame gevallen van plaatsen waar beide bezit hadden. Bisdom en abdij waren sinds 775 al uit elkaar, misschien zelfs nog vroeger. Toen bisschop Hunger in Tournehem of Audruicq terugkeerde, had hij niets van doen met de daar nog bestaande goederen van de voormalige abdij. Bisschop Radboud besteedde evenmin één woord aan de abdij, toen hij ca. 915 een poging deed om het bisdom Tournehem nog in leven te houden. Kort daarna verdween het bisdom helemaal. Het bezit van de goederen van het voormalige Aefternacum te Eperlecques lag in handen van heren uit Lotharingen, die nog terdege wisten waar de authentieke plaats van Aefternacum was en geen moment van plan zijn geweest een eigentijdse dislocatie van een plaatsnaam te plegen. In Luxemburg bestond evenmin de opvatting dat St. Willibrord daar geresideerd had: in Luxemburg, in Echternach of in Trier is vóór de 10e eeuw geen enkel gegeven over St. Willibrord te vinden. Enkele akten die dit wel schijnen te zeggen, zullen nog verklaard worden; dit kan beter bij de teksten zelf worden besproken.»
 (121).

Ton Spamer gooit de twee momenten, 857 en 973, door elkaar :

«Ten vijfde kan bisschop Hunger in 857 moeilijk naar Siegfried van Luxemburg gevlucht zijn. Deze Siegfried werd geboren rond 915 en stierf na 997. Hij was graaf in meerdere graafschappen, waaronder in de Moezelgouw. In 963 verwierf hij de Lützelburg, waaruit later Luxemburg ontstond. Rond 950 was hij eerst lekenabt en daarna voogd van Echternach. (In elk naslagwerk na te zien). M.a.w.: tussen Hunger en Siegfried zit bijna 100 jaar… Van enige verbinding van Siegfried met gebieden in Noordwest-Frankrijk of van een Lützelburg in Frans-Vlaanderen is in geen enkele bron ook maar enig spoor te vinden. Een andere in aanmerking komende Siegfried is er niet. Dit onderdeel van de ‘bewijsvoering’ moet daarom als onzinnig van de hand gewezen worden.» (122).

Niemand plaatst Lützelburg of Siegfried in Frans-Vlaanderen, wat meteen verklaart waarom daarover niets schriftelijks is te vinden. Niemand beweert dat Hunger naar Siegfried vluchtte, wat gezien de tijdsafstand tussen de twee een hopeloze onderneming zou zijn geweest. Voor andere banden van Siegfried met Vlaanderen bestaan wél aanwijzingen, voor de latere geschiedenis zelfs heel belangrijke :

  • Zijn dochter Lutgard trouwde met Arnulf van Gent, zoon van Dirk II van Gent (123);
  • Egbert, eveneens een zoon van Dirk II van Gent en zwager van Lutgard, opdrachtgever voor het schrijven van de Vita S. Adalberti, zegende als aartsbisschop van Trier op 5 november 987 op verzoek van Siegfried de kasteelkerk van Luxemburg in (124).

De St.-Bertijnsabdij van St.-Omaars is wel degelijk door de Noormannen aangevallen (125). Het dichtbij gelegen Helfaut (Heliglo) wist daarentegen met goed gevolg weerstand te bieden. Trajectum niet zodat er niets overbodigs was aan een verhuizing naar een onbedreigd gebied.

Dan beweert Ton Spamer :

«Ten tweede komt de abdij Echternach in het Luxemburgse éérder voor dan 973. De Pippiniden werkten rond 700 mee aan de stichting van de abdijen Susteren, Nijvel, Stavelot/Malmedy en Echternach. Steeds blijkt het daarbij om abdijen in hun stamgebied gaat, om Austrasië. In Neustrië hebben ze nooit abdijen gesticht.» (126).

Echternach beschikt over geen enkel oorspronkelijk document van vóór 973. Geen enkele van de Austrasische abdijen (van rond 650 en niet 700) is gesticht door een Iers-Engelse missionaris; deze werkten allemaal in Neustrië. Bijgevolg hoort ook Willibrord dáár thuis. De Neustrische abdijen – de St.-Bertijnsabdij te St.-Omaars uit 649 en de St.-Vaastabdij bij Atrecht uit 650 (127) – konden voorafgaand aan 687 geen medewerking van de Pippiniden verwachten omdat Neustrië toen buiten hun rijk viel. Neustrië en Austrasië werden in 687 verenigd onder Pippijn II de Middelste; deze wees aan Willibrord het werkgebied Fresia toe.

c. Het gebeente van Willibrord

Er zijn drie lijken van Willibrord bekend. Ton Spamer vertelt daarover :

«Ten vierde ligt in het Luxemburgse Echternach iemand begraven die voor Willibrord wordt gehouden. In 1040 nam men zijn graf op in de nieuwe abdijkerk. Dit klooster wordt al in 870 het klooster van de H. Willibrord genoemd. Pas als dàt gebeente bij modern wetenschappelijk onderzoek de vereiste ouderdom niet blijkt te hebben en dat in Abbeville wel, pas dan komt Abbeville in het vizier als mogelijke begraafplaats. Niet eerder.» (128).

De authenticiteit van de laatste relieken van Willibrord, die zich niet te Abbeville bevinden maar in Grevelingen (Frans Gravelines), is niet aan twijfel onderhevig en zijn nog nooit door iemand in twijfel getrokken. In Echternach hebben zelfs meerdere Willibrords gelegen, wat de geloofwaardigheid van Echternach er niet op vergroot. De datering van de Echternachse relieken heeft al plaatsgevonden door de te Utrecht aanwezige fragmenten : ze zijn uit de twaalfde eeuw en dus vals; zie : De gebeenten van Willibrord.

d. De grafsteen van Epternus

Het lekkerste hebben we voor het laatst bewaard :

«In Echternach is naast de abdij de grafsteen gevonden van een zekere Epternus. Tezamen met het achtervoegsel -(i)acum-, een alledaags Gallisch woord voor woonplaats, levert dat de plaatsnaam Epternacum op. De monumentale steen met een 3 m hoge inscriptie dateert uit het midden van de eerste eeuw na Christus. Uit de inscriptie blijkt dat het om iemand uit de ridderstand gaat, zodat een verband met de uitgestrekte Romeinse villa aldaar voor de hand ligt.» (129).

Er zijn alleen fragmenten van een gedenk- of grafsteen gevonden, en het woord Epternus staat er niet op; zie de bij Ton Spamer ontbrekende afbeelding :

Epternus

De ‘grafsteen van Epternus’ (130)
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Hoewel het commentaar dat daarbij wordt geleverd buitengewoon fantasierijk mag worden genoemd komt het niet in de buurt van wat Ton Spamer ervan maakt :

«Von besonderer Aussagekraft für das römische Echternach könnte eine leider nur fragmentarisch erhaltene, monumentale Inschrift aus der Mitte des 1. Jahrhunderts sein, welche im Dezember 1951 bei den Ausgrabungen an der Westseite der Basilika (“beim Hause Decker”) freigelegt wurde. In der letzte Zeile dieser ursprünglich mindestens 2,90 m breiten und 0,90 m hohen Grab- bzw. Ehreninschrift für einen Angehörigen des römischen Ritterstandes ist unter den Stiftern möglicherweise die Person genannt, die namengebend für den Ort wurde: [EP]TERNVSEPTERNACVM (131).

Mogelijkerwijs ! De steen is al een halve eeuw bekend; het enig nieuwe bestaat uit de meer dan gewaagde gevolgtrekking; en Ton Spamer zet prompt een halve bespiegeling om in een hele dwaasheid. “Epternacvm” viel er in geen mogelijkheid van te maken zodat de onderzoekers het op “Epternvs” moesten houden.

Het bijschrift bij de afbeelding luidt :

«Rekonstruktion des linken Blocks einer ursprünglich mindestens 2,90 m breiten und 0,90 m hohen Inschrift mit sechs Textzeilen (Buchstabenhöhe: 11,5, 10,5 bzw. 9,7 cm). Zu begin der letzten Zeile dieser monumentalen Grab- oder Ehreninschrift aus der Mitte des 1. Jahrhunderts ist unter den Stiftern [EP]TERNVS genannt, vermutlich jene Person, die namengebend für Echternach (“Epternacum”) wurde. Der stein, welcher auf der Rückseite eine elfzeilige, in Versen abgefaßen Grabinschrift des 11. Jahrhunderts trägt, wurde im Dezember 1951 “beim Hause Decker”, westlich der Basilika gefunden.» (132).

Als onderzoekers met dit soort van reconstructies aankomen moeten ze wel heel erg wanhopig zijn :

  • Epternacum is niet de oudst bekende naamvorm;
  • Er wordt geen bewijsgrond aangevoerd voor de veronderstelling dat de gebeitelde letters deel zouden uitmaken van een persoonsnaam;
  • Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de naam Epternacum is afgeleid uit een persoonsnaam;
  • Een persoonsnaam Epternus is verder onbekend;
  • Het bepalend deel van het woord (‘EPT’, dat ontbreekt) is voor de interpretatie beslissend, niet de uitgang (‘ERNVS’);
  • De eerste leesbare letter is een ‘E’, daarvoor kunnen een ‘C’, een ‘T’, een ‘F’ en zelfs een ‘S’ hebben gestaan; op de laatste ‘E’ volgt een ‘T’ zodat de juiste lezing [C/F/S/T]ERNVS·E[T] is, waarbij de woordscheiding discutabel is.

De rest van de archeologie ziet er als volgt uit :

«Diese Bilanz muß zunächst mit einem negativen Befund beginnen: Trotz der seit über zwanzig Jahren intensiv betriebenen Felderbegehungen mit Metallsuchgeräten, fehlen bislang fränkische Funde von dem über 10 ha großen Gelände der PalastviIla in der “Schwarzuecht” vollkommen, dies obwohl von den Sammlern neben einem reichen römischen Fundmaterial, auch eine Reihe mittelalterlicher Stücke, u.a. aus karolingischer Zeit (9./10. Jahrhundert), geborgen wurde. Diese FeststeIlung ist umso verwunderlicher, als die gigantischen Ruinen der ehemaligen Prunkvilla mit Sicherheit die Stürme der Völkerwanderungszeit überdauert haben und wohl auch immer Menschen anzogen, sei es nür, um willkommenes Baumaterial (Steine, Ziegel, Marmor) auszubeuten.
Ganz anders liegen die Verhältnisse im Bereich des spätantiken Burgus auf dem Hügel, der später die Echternacher Pfarrkirche St-Peter-und-Paul trug. Wie bereits oben dargelegt, beherbergte das Kastell vermutlich bis zum endgültigen Zusammenbruch der römischen Herrschaft im Trierer Raum eine kleine militärische Garnison. Danach scheint der Platz, ohne längere nachweisbare Unterbrechung, van der verbliebenen römischen Provinzialbevölkerung und den fränkischen Neusiedlern weiterbenutzt worden zu sein. Es wurde sogar vermutet, daß die älteste Echternacher Kirche im 6. oder 7. Jahrhundert in dem ehemaligen Kasernengebäude des Kastells eingerichter wurde und als Krypta der romanischen Pfarrkirche die Jahrhunderte überdauert hätte.
Nachdem bereits die Ausgrabungen van 1949 bis 1951 im Bereich der Abteikirche vereinzelte fränkische Scherben sowie eine sehr schöne merowingische Kreuzfibel des 7. Jahrhunderts erbracht harten, konnten 1982, 1989, 1991 und 1992 anläßlich verschiedener archäologischer Untersuchungen im Untergeschoß der Abteigebäude des 18. Jahrhunderts bzw. im Abteihof erstmals konkrete Siedlungsspuren aus fränkischer Zeit nachgewiesen werden.»
 (133).

Kortom, bij de villa is niets gevonden uit de tijd van Willibrord, niets van vóór de negende eeuw; de burcht daarentegen is min of meer doorlopend bewoond geweest. Het klooster van Echternach werd in 973 gesticht. Uit de periode daarvóór zijn een afvalkuil teruggevonden, een beekbedding die aan het einde van de negende eeuw is opgevuld, een eiken balk van ná het jaar 589, een eiken paal van ná het jaar 670 en losse fragmenten van een vroeg-christelijk grafopschrift uit de zesde of zevende eeuw.

De onderzoekers leggen er de nadruk op :

«Es dürfte im vorangegangenen Kapitel deutlich geworden sein, daß Echternach am Ende des 7. Jahrhundert, d.h. am Vorabend der Klostergründung, keinesfalls eine gottverlassene Einöde im Vorfeld des Ardennerwaldes war.» (134).

Het was geen godvergeten plaats. Bij Ton Spamer wordt dat :

«De overige vondsten wijzen op een continue bewoning tot in de Merovingische tijd. Bij de westelijke abdijtoren werd veel materiaal gevonden dat bewijst dat er bewoning was in de late zesde en zevende eeuw. Vlak daarbij lag een afvoersloot naar de Lauterbornerbach. Een houten brugpeiler wijst dendrochronologisch op omhakken en gebruik in de periode 578-589. Een eiken paal uit dezelfde graving dateert uit einde zevende eeuw. Onder de huidige kern van Echternach, van burchtheuvel tot en met kloosterterrein, lag na 550 een grotere Frankische nederzetting.» (135).

Zo zien we hoe Ton Spamer, al weergevend in plaats van citerend, archeologische vondsten opblaast, ook als niemand ze in twijfel trekt. Nergens is sprake van een grotere Frankische nederzetting van burchtheuvel tot en met kloosterterrein.

6. Conclusie : “Zorg om kwaliteit”

Ton Spamers uitgesproken zorg om kwaliteit geldt, zoveel is inmiddels wel duidelijk, slechts de bijdragen van anderen (136). Hij weigert hardnekkig om er ook maar iets van te begrijpen, en in zijn opvatting kan iets dat hij niet begrijpt onmogelijk wetenschappelijk zijn, vooral als het in strijd is met zijn ‘traditie’.

Ton Spamer probeert ook om het werk van Albert Delahaye op één hoop te gooien met dat van Heribert Illig. Heribert Illig ontkent dat gebeurtenissen hebben plaatsgevonden terwijl Albert Delahaye probeert ze op de juiste plaats te zetten. De opvattingen van Albert Delahaye worden op het web, door iemand die er wél iets van probeert te begrijpen, nu juist aangeprezen als de best mogelijke weerlegging van de opvattingen van Heribert Illig (137).

Geheel tegen de geest van de missionaris Willibrordus in, staat hij ook voornamelijk voor eigen parochie te preken en onderneemt hij geen pogingen om te overtuigen :

«Daarmee valt naar mijn mening zowel de noodzaak als de mogelijkheid weg om Utrecht te lokaliseren in Maastricht, Antwerpen of Tournehem» (138).

En :

«Als ièts in Willibrordus’ leven vaststaat, dan is het wel dat Echternach in Echternach lag en niet elders!» (139).

Wie zoiets aan het papier durft toe te vertrouwen wil niet serieus worden genomen. Zelfs wie er tegen beter weten in toch nog van overtuigd wil worden dat de traditie standhoudt is elders beter af : bij de literatuur waarin de confrontatie met de opvattingen van Albert Delahaye uit de weg wordt gegaan. Nadat Ton Spamer het verzamelde werk van Albert Delahaye met al het bewijsmateriaal ongelezen ter zijde heeft geschoven begint hij te jengelen dat er bewijs moet worden geleverd :

«Ik vrees echter dat ze [de “geharnaste Delahaye-aanhangers”] zwijgen of hoogstens reageren met stellingen van Delahaye, d.w.z. dat ze hun stellingen willen bewijzen door gebruik te maken van wat nu juist bewezen moet worden.» (140).

Het bewijs hoeft niet bewezen te worden, het hoeft alleen maar te worden gelezen, en het verdient verder kritisch onderzoek. We kunnen nauwelijks nog van Ton Spamer verwachten dat hij de wetenschappelijke handen uit de traditionele mouwen steekt. Het was niettemin de moeite waard in te gaan op dit opstel als traditionalistische poging tot weerlegging van het werk van Albert Delahaye. Iets fatsoenlijkers is er namelijk niet en het is zo langzamerhand, na veertig jaar, ook wel heel onwaarschijnlijk geworden dat het er ooit nog zal komen.


Een door de redactie van dat blad samengevatte versie van het bovenstaande werd gepubliceerd in : SEMafoor, jaargang 6, nr. 2, mei 2005. – p. 30-35. Voorafgaand daaraan had Ton Spamer zijn abonnement op dat blad al opgezegd.


EpiloogVolgende


Noten

1. Traiectum, Echternach en de bronnen / door A.P.G. Spamer, historicus. – In : SEMafoor, jaargang 1, nr. 3, november 2000, p. 33-37. In antwoord hierop verscheen, afdoend : Traiectum, Echternach en de bronnen / J. Fermaut en A. Jochems. – In : SEMafoor, jaargang 2, nr. 1, februari 2001, p. 22-27. De eerdere opmerkingen alhier in Willibrord zijn vandaar hierheen verplaatst. In 2002 verscheen van Ton Spamer, uitgegeven door tamelijk tandenloze “Lions” : De Sint Willibrorduskerk belicht / Prof. dr. A.J. Bijsterveld, Ton Spamer [et al.]. – Deurne : Lions Club Deurne, 7 november 2002. – 200 p, zie : 1200 jaar Deurnese geschiedenis. De Sint Willibrorduskerk belicht.
Sinds januari 2004 zijn hier type- en stijlfouten verbeterd en enkele aanvullingen gegeven, en de volgende inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd :

  • Om tegemoet te komen aan bezwaren van Hans den Besten is het Wiltenburg-gedeelte uitgebreid (omdat het hier met een ‘jantje-van-Leiden’ zou zijn afgedaan), en de namenlijst van Taxandria is aangevuld met namen uit Künzel 1988 omdat die uitgave de standaard zou uitmaken.
  • Het gedeelte over de Utrechtse archeologie is uitgebreid met citaten uit het in Utrecht aan de gang zijnde debat waarnaar Ton Spamer wel verwees maar zonder er iets uit aan te halen.

«Ton Spamer studeerde geschiedenis in Utrecht en doceerde dit vak aan het Peelland-College te Deurne. Daarnaast was hij vice-voorzitter van de Culturele Raad Deurne, voorzitter van de Openbare bibliotheek, lid van het hoofdbestuur van de Provinciale Bibliotheek-Centrale, de Provinciale Bibliotheekcommissie en een aantal landelijke besturen en ministeriële commissies.» (Deurnewiki, 15 september 2010).

1a. Dat voornemen kon niet worden uitgevoerd, maar is ook niet meer nodig, zie : Bonifatius of de schone schijn van Dokkum / M.P. Boidin. – Rotterdam : Trichis Publishing B.V., 2011. – 236 p. Niet als “wetenschappelijk” gepresenteerd, maar als “onderzoeksjournalistiek” (beslist niet slechter dan de als “wetenschappelijk” gepresenteerde folklorologie van Marco Mostert) geeft hij discutabele resultaten over de geografie, maar meer dan genoeg om duidelijk te maken dat de Dokkum-versie kan worden afgevoerd [verlate noot uit mei 2014].

2. SEMafoor is een tijdschrift waarin de opvattingen van Albert Delahaye centraal staan, en waarin Ton Spamer alle ruimte kreeg om die te weerleggen. Het boek waarin hij publiceert, en waarin hij hoofdstuk één kreeg toegewezen, werd onder andere uitgegeven door de Studiekring Eerste Millenium, dezelfde die ook SEMafoor uitgeeft. De betrekkingen binnen Deurne moeten enigszins verstoord zijn, want Ton Spamer heeft op de omslag van zijn opstel laten drukken dat het een uitgave betreft van de Heemkundekring H.N. Ouwerling, die echter de volgende waarschuwing op haar website heeft geplaatst : «Onderstaande twee werken zijn in het najaar van 2004 verschenen en zijn te koop bij Boekhandel Berkers aan de Stationsstraat. Zij zijn uitgebracht door Ton Spamer, historicus, en niet door de heemkundekring. De heemkundekring draagt derhalve geen verantwoordelijkheden voor deze uitgaven.» Bron : Heemkundekring H.N. Ouwerling, 16 januari 2005 [de betreffende site is verdwenen]. Ton Spamer had op de omslag alvast laten drukken : Deurnse historische reeks 5, en de omslag vermeldt : «ton Spamer, waan of werkelijkheid, Willibrord en bonifatius, echternach, deurne en dokkum, met vele kaarten, uitgebreid notenapparaat, uitvoerige literatuurlijst». Het andere werkje gaat over archeologie, met de in dit verband veelzeggende titel : Vaste grond onder de voeten. Zie ook : Archeonet, archeologisch nieuws : «Tussen één van de auteurs (dhr. Spamer) die het door hem geschreven hoofdstuk uit het boek heeft over laten drukken en de Studiekring Eerste Millennium (SEM) bestaat discussie of deze handelwijze al dan niet laakbaar is». Die laatste zin valt onder wat in het Engels een weasel-phrase wordt genoemd: Archeonet onttrekt zich er mee aan haar eigen verantwoordelijkheid, en de link is omgeleid naar een site voor bedrukte glazen [april 2019].
Nog een ander aanmoedigend commentaar : «De traditioneel-Nederlandse geschiedschrijving, ontdaan van wat schoonheidsfoutjes, wordt als eerste neergezet door de historicus Ton Spamer, die zelf in Utrecht en in Dokkum heeft gewoond. Hij betrekt ook grote delen van de zuidelijke Nederlanden in de analyse, maar trekt ook hard van leer tegen de opvattingen van de andere auteurs. Goed voor wie een scherpe discussie wil!» (Willibrord en Bonifatius: waren ze ooit in Nederland? / Gijs van Udenhout, zie : “Bureau voor Publiciteit”, van Ad Maas.

3. Hopelijk was de lezing beter dan het folklorologische boekje over Bonifatius in Dokkum waarin de legendevorming voorop staat en de historische werkelijkheid daaraan ondergeschikt is gemaakt, zie : 754: Bonifatius bij Dokkum vermoord / dr. Marco Mostert. – Hilversum : Verloren, 1999. – 94 p.

4. De opvattingen over onze oudere vaderlandsche geschiedenis bij de hollandsche historici der XVIe en XVIIe eeuw / door Herman Kampinga ; vermeerderd met een register van personen door Dr. E.O.G. Haitsma Mulier. – Utrecht : HES Publishers, 1980. – 207 p. – (Oorspr. uitg. ’s-Gravenhage : Nijhoff B.V., 1917). – p. 31. Gedeeltelijk te vinden onder : De geschiedschrijving van het graafschap Holland.

5. Het citaat van Samuel Butler is een commentaar op de uitspraak van Agathon dat zelfs God het verleden niet kan veranderen, aangehaald door Aristoteles (Ethica Nicomachea / Aristoteles. – vertaald door Christine Pannier & Jean Verhaeghe. – Groningen : Historische Uitgeverij, 1999. – 360 p. – hoofdstuk 6).

6. Aanbevolen : Uit goede bron : Introductie tot de historische kritiek / Walter Prevenir. – 7e druk. – Leuven, Apeldoorn : Garant, 2000. – 208 p. – (1e druk 1992).

7. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 11.

8. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 15. Albert Delahaye hoefde het niet meer waar te maken, want dat had hij al gedaan. Ton Spamer verwijst met instemming naar : Brabant en Echternach / F.W. Smulders. – In : Brabants Heem, jaargang 18, 1966, p. 50-52 (zie : Traditionalisme of wetenschap : Brabants Heem (1966)); alwaar we lezen : «Het is ook een anti-Nederlands boek, daar het een hele periode van de nederlandse geschiedenis ongedaan probeert te maken op een franskiljonse manier. Als alles waar is, wat hij beweert, waarom hebben de Fransen al niet veel vroeger dat alles voor zich opgeëist, (zoals zij dat gewoon zijn in hun geografische en kulturele annexatie-zucht)?». De rest van dit onwaardige en onwaarachtige artikel bestaat uit onbegrijpelijke wartaal. Vervolgens kwamen er klachten uit de Peel dat Albert Delahaye ‘niet antwoordde’. Dit wilde hij wél kwijt : «In “Vraagstukken” (1965) heb ik deze mythe tot op de bodem uitgezocht en bewezen dat ’t een fabel uit de 13e eeuw is, voortgekomen uit geldzucht van de abdij van Echternach. Doch omdat dit boek “uit principe” door niemand uit de club van oostelijk Noord-Brabant is gelezen (zelfs niet door diegenen die beweren het gelezen te hebben), blijft men daar maar doorgaan met het verkondigen van de fabel.» (De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 371).

9. Albert Delahaye, Willibrord en Waalre : De zwakheid van Delahaye’s beweringen (I-III) / Arnoud-Jan Bijsterveld. – In : Brabants Heem, jaargang 35, 1983. – p.  101-111, 150-159, 188-196. Hij schrijft : «Ik heb me vooral gericht op het hoofdstuk over Waderlo in Delahaye’s “Van Dorestadum tot Waderlo”. Dit boek noemt hij zelf een “vrij oppervlakkig werkje”» (t.a.p., p. 102). Dat had toch aanleiding moeten zijn om het hoofdwerk van dat moment eens in te zien (Vraagstukken van de historische geografie). In plaats daarvan vergelijkt Arnoud-Jan Bijsterveld één hoofdstukje uit Van Dorestadum tot Waderlo met een ander, nog veel oppervlakkiger werkje, De Franken in Nederland van prof. dr. D.P. Blok, en verklaart serieus dat Albert Delahaye ongelijk heeft omdat hij iets anders zegt dan prof. dr. D.P. Blok. Als zij hetzelfde hadden gezegd was het werk van Albert Delahaye natuurlijk overbodig geweest. Desalniettemin mocht A.-J. Bijsterveld onlangs het hoofdstuk “De vorming van het hertogdom (843-1106)” schrijven in de prestitieuze uitgave : Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot heden / onder redactie van R. van Uytven, C. Bruneel, A.M. Koldeweij [et al.]. – Zwolle, Leuven : Waanders, Davidsfonds, 2004. – 720 p. Over de periode 843-1012 weet hij in het geheel niets over Brabant mede te delen zodat hij de anderhalve bladzijde die hij daaraan wijdt maar opvult met Lotharingse aangelegenheden. Zijn collega F. Theuws schrijft in het eerste hoofdstuk : «Het onderzoek van [bedoeld : naar] de schenkingen aan Willibrord, het bezit van de abdijen van Echternach en St.-Truiden en dat van de Luikse geestelijke instellingen is opnieuw ter hand genomen. Een reeks van plaatsen wordt in de vroege achtste eeuw al genoemd : Waalre, Bakel, Vlierden en Deurne, Eersel, Hapert, de gehuchten Hasselt en Lindel bij Overpelt, Diessen, Alphen enzovoort» (p. 32). Verder wil hij er – blijkbaar hangende dit ‘nieuwe onderzoek’ waarover die praatjesmakers het al veertig jaar hebben – niets over kwijt dan vaagheden zodat de geschiedenis van Brabant het even zonder Willibrord moet stellen. En daar geven we dan ons goeie geld aan uit in de veronderstelling dat de bewijzen in dit boek toch wel eens boven tafel waren gekomen !

10. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 16. Anders dan Ton Spamer denkt beperkten de transgressies zich niet tot Nederland ten noorden van de grote rivieren; de Duinkerkse transgressies zijn vastgesteld in het hele gebied van Noord-Frankrijk tot in Denemarken aan toe. Ook beperkten zij zich niet tot “de periode 700-800” maar ze betroffen de hele periode van de derde tot aan de tiende eeuw. We zien bovendien dat de inpolderingen beginnen in de negende eeuw in Noord-Frankrijk en naar het noorden worden uitgebreid met grofweg één kilometer per jaar.

11. Wetenschappelijke atlas, onderdeel Bewoningsgeschiedenis; klik op : Nederland omstreeks 800. Zie ook : Transgressies : regressies in de Lage Landen bij de Zee / M. Boidin. – In : SEMafoor, jaargang 1, nr. 3, november 2000. – p. 6-9.

12. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 15-16.

13. Bron : Utrechtse nieuwbouwwijk levert weer schat op.

14. Zorg om kwaliteit, SEMafoor, jrg. 4, nr. 4, p. 27-28. Voor meer over Franz Petri, zie : German Westforschung 1918 to the present. The Franz Petri (1903-1993) case. In : German scientists and ethnic cleansing 1920-1945 / Michael Fahlbusch, Ingo Haar (Ed.). – New York : Berghahn, 2004. Ook op ander vlak is Petri omstreden : «Lindemans verklaart zelfs, dat het materiaal van Petri niet deugt, dat het oncritisch werd behandeld en tendentieus toegelicht; daarenboven is het onvolledig en nog grotendeels onverklaard, zozeer zelfs dat men van vele namen niet eens weet of zij Germaans dan wel Romaans zijn.» (Algemene geschiedenis der Nederlanden (1949), deel 1, t.a.p., p. 241).

15. De toponiem Bardenwijk / Ad Maas. – In : SEMafoor, jaargang 4, nr. 3, augustus 2003, p. 22; door Ton Spamer geciteerd in : SEMafoor, jaargang 4, nr. 4, november 2003, p. 27.

16. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 16.

17. «Een nog sprekender voorbeeld is Brabant, dat als “Bracbante” (wat letterlijk broekland betekent) een vaag begin heeft, in de 11e eeuw als “hertogdom Leuven” opgroeit, en sinds het begin van de 12e eeuw als hertogdom Brabant een nog veel grotere expansie dan Vlaanderen bereikt, waarbij het begrip van het oorspronkelijke “Bracbante” wel meer dan 100 maal werd uitgerekt.» (De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 27).

18. Holle boomstammen, t.a.p., p. 392. Aldaar vinden we ook andere bant-namen : Testerbant en Osterbant, en eveneens het mysterieuze eiland Bant, dat waarschijnlijk Osterbant-Oostergo is.

19. De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 292.

20. Overgenomen uit : Zorg om kwaliteit, t.a.p., p. 28, en : Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 16.

21. Voor de Brabant-namen, zie : De ware kijk op…, deel I, t.a.p., p. 34, 183, 248, 413, en deel II, p. 27, 28, 35, 38, 39, 91, 279, 292, 308, 364, 367, 370-373, 375, 377, 379, 382, 386, 391, 392, 396, 437, 441, 445, 448-454, 458, 459, 461, 465, 467, 469, 492, 504, 506. Volgens M. Gysseling is Brabant een pagus tussen de Haine en de Schelde, met als eerste vorm Pracbatinse, eind zevende eeuw, in een kopie uit 941 (Toponymisch woordenboek, t.a.p., p. 178-180).

22. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 11. Ton Spamer vergeet de Frankische edelen bij naam te noemen of bronnen op te geven.

23. Geschichte der Grundherrschaft Echternach im Frühmittelalter. Untersuchungen über die Person des Gründers, über die Kloster- und Wirtschaftsgeschichte auf Grund des liber aureus Epternacensis (698-1222) / von Dr. Camillus Wampach, Geistlicher der Diözese Luxemburg. – I 2. Quellenband, mit 6 Kunsttafeln. – Luxemburg : Druck und Verlag der Luxemburger Kunstdrückerei A.G., vorm. Dr. M. Huss, 1930. – 503 p.

24. Sint Willibrord, apostel van Brabant / door P.C. Boeren. – Antwerpen [etc.] : Standaard-Boekhandel, [ca. 1939]. – 48 p.

25. Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200 / R.E. Künzel, D.P. Blok en J.M. Verhoef. – Tweede, gewijzigde druk. – Amsterdam : P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, 1989. – (Publicaties van het P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen ; dl. 8). – (Oorspronkelijke uitgave 1988).

26. Holle boomstammen, t.a.p., p. 415; vergelijk : Van Dorestadum to Waderlo, t.a.p., p. 87-107. Eugen Ewig, op wie Ton Spamer zich beroept, schreef : «Texandrien bildete in älterer Zeit eine Art Niemandsland zwischen Cambrai und Maastricht. Hier überkreutzte sich die neustrische mit der austrasischen Mission.»; Spätantikes und Frankisches Gallien. Gesammelte Schriften. Erster Band / Eugen Ewig. – München : Artemis Verlag, 1976. – 588 p. – p. 188, noot. Dat is een flink stuk zuidelijker dan de Peel. Men vergelijke ook de omzichtige vaagheid in : Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot heden / onder redactie van R. van Uytven, C. Bruneel, A.M. Koldeweij [et al.]. – Zwolle, Leuven : Waanders, Davidsfonds, 2004. – 720 . – p. 47-49; voor de schenkingen aan Willibrord zie p. 33 (kaart). Eén van de auteurs voor de periode 843-1106 is weer A.-J. Bijsterveld. We lezen : «Neder-Lotharingen was in de tiende en elfde eeuw het nominale [sic !] ambtsgebied van de opeenvolgende hertogen en omvatte in theorie [sic !] alles tussen de Eifel, de Rijn, de Noordzee, de Schelde en de Ardennen.» (p. 41). Op de kaart op p. 44 lijkt het gebied echter te worden doorgetrokken tot… Hamburg, waarbij Zeeland, Holland, Utrecht, Friesland en Groningen ook maar eventjes, hoewel natuurlijk slechts ‘in theorie’ en alleen ‘nominaal’, worden meegenomen.

27. Voor Taxandria, zie : De ware kijk op…, deel I, t.a.p., p. 36, 53-54, 98, 239-277, 437; en deel II, p. 27-28, 30, 39-40, 140, 227, 321, 367, 369-373, 375-376, 379-384, 391-392, 394, 396, 406, 409, 411, 425, 431, 433, 440-441, 447-450, 453, 458, 461, 462, 464-466, 468-469, 471, 473-477, 492, 495, 505 en 572-573.
«Er bestaat geen enkele plaatselijke bron of tekst die de naam Taxandria in de streek bevestigt. Hij staat alleen in Romeinse en Franse bronnen.» (De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 458).
Volgens M. Gysseling gaat het bij de oude naam niet om de Peel maar om de Kempen (omgeving Turnhout-Herentals, zie : Toponymisch woordenboek, t.a.p., p. 958), zodat de verwarring compleet is.
Vergelijk : «Taxandria, het weefland ten westen van Kortrijk, welke naam waarschijnlijk de opvolger of minstens het synoniem van Westrachia is geweest, werd omwille van enige raakpunten in de teksten min of meer met Bracbante gelijkgesteld.
Uiteindelijk werd het via de totaal misverstane plaatsnamen uit de oorkonden van Eperlecques, samengeknepen op het Nederlandse Oost-Brabant, bij welke manoeuvre de oorspronkelijke en juiste streek totaal uit het zicht verdween.
Dit alles moet teruggevoerd worden tot de eerste zogenaamd naamkundigen (dit proces is allang aan de gang !), die ook bij Waalre als Waderio begonnen, wéér de verkeerde kant, en niet bij Plinius die het eerst over de landstreek heeft geschreven.
Hier deed zich het merkwaardig geval voor dat via één verkeerd geïnterpreteerde plaatsnaam een hele landstreek werd verlegd. Zo begon het gedaas over de goederen van St. Willibrord in oostelijk Noord-Brabant, dat reeds op taal- en naamkundige gronden een misvatting is, daar er zes eeuwen liggen tussen de namen uit de oorkonden van Eperlecques en de juiste tijd van ontstaan der plaatsen in Noord-Brabant. Bovendien zijn de vervalsingen, die de abdij van Echternach uit geldzucht met de oude akten van Eperlecques uithaalde, zó doorzichtig dat het een raadsel is hoe enige Brabantse historici nog vast willen houden aan goederen van St. Willibrord.
Gysseling en Blok scharen zich bij hen, vanzelfsprekend, omdat zij de oorkonden van Eperlecques ook nooit hebben bestudeerd.
Een ander voorbeeld voor zo’n begripsvernauwing is België, een naam uit de Romeinse periode, pas in de 19e eeuw aan het land gegeven.
Belgia omvatte in het begin het noorden van Frankrijk; er zat zelfs geen stukje van het huidige België in. Maar toen het land eenmaal de naam van België droeg, werd maar voetstoots aangenomen dat die naam gelijkstond met het oude België. Zeg niet dat ’t niet waar is zoals ik het hier beschrijf, daar Byvanck Belgia doortrekt tot in het Nederlandse Limburg.» (De ware kijk op…, deel II, p. 28.

28. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 11.

29. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 12.

30. De investituurstrijd (1075-1122) ging vormelijk over de vraag wie bisschoppen kon benoemen : de keizer of de paus, en hij werd besloten ten gunste van de laatste; de kerkelijke invloed werd versterkt, maar alleen ten koste van de (niet-erfelijke) wereldlijke macht van de bisschoppen die immers de steun van de keizer verloren; het is in de periode onmiddellijk ná de investituurstrijd dat kloosters zoals Echternach en Fulda – als voortzetting van de strijd tussen kerk en staat – op grote schaal ‘voormalige bezittingen’ gaan opeisen.

31. Ton Spamer kondigde voor 2001 een boek aan over Deurnse toponiemen van 1300 tot 1900 dat in 2005 verscheen; oudere toponiemen heeft hij voor Deurne blijkbaar niet gevonden (Trajectum, Echternach en de bronnen, t.a.p., p. 37, noot 16). Het is een algemene regel dat een kopie uit de veertiende eeuw van een document uit de achtste eeuw geordend wordt op de veertiende, en niet de achtste eeuw. In de toponymie is dat des te noodzakelijker omdat bij het kopiëren de namen vaak aan de smaak van de tijd werden aangepast. Ton Spamer kent deze regel niet en legt de documenten bijgevolg op de verkeerde volgorde voordat hij zich aan een interpretatie waagt; hetzelfde geldt voor Arnoud-Jan Bijsterveld.

32. Arnoud-Jan Bijsterveld dacht in 1983 dit gat te dichten door dertiende eeuwse documenten om te toveren in documenten uit de elfde eeuw en nog veel ouder, en wanneer Albert Delahaye voor Waalre een gat van vijf eeuwen vaststelt tussen de zogenaamde eerste vermelding en de aanspraken van Echternach vult hij dit gat uitsluitend op met de vervalsingen van Echternach zonder enige andere bron aan te voeren. Albert Delahaye, Willibrord en Waalre, t.a.p., p. 152.

33. Ter correctie : die kopie is er wel, namelijk in het Liber Aureus, bij Ton Spamer ging het niet om een afwezig afschrift maar om een afwezig origineel.

34. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 12.

35. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 12.

36. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 14. Voor de omvang van het aantal vervalsingen : Fälschungen im Mittelalter ; Internationaler Kongreß der Monumenta Germaniae Historica, München 16.-19. September 1986, 6 Bände., Hannover, 1988.

37. Wel heeft hij ook een aantal stukken met betrekking tot de Peel overgeslagen, zoals een nog ouder document uit 714 met een schenking aan Suestra, gegeven te Bagaloso, wat volgens Ton Spamer Bakel zou moeten zijn (zie : Ontspoorde historie, t.a.p., p. 69). De reden waarom dit document wordt overgeslagen is daar ook te vinden. De achtergrond van de Echternachse aanspraken in oostelijk Noord-Brabant worden, zonder dat hij het zelf door heeft, verraden door Arnoud-Jan Bijsterveld : «Beter dan door oorkonden wordt het bestaan van een band tussen Echternach en Waalre bewezen door de aanwezigheid van twee “Waalrenaren” in Echternach, in 1140-1179 en in 1156. In het eerste geval is het de gefortuneerde “Frater Hazzo (…) ex familia sancti Willibrordi, natus de Waderle”: broeder Hazzo uit de kloostergemeenschap van de heilige Willibrord, geboortig van Waalre, die bij zijn intrede in het klooster in 1140 en later grote geldsommen en goederen aan het klooster vermaakt, hoofdzakelijk om daarmee schulden van het klooster te kunnen inlossen. In 1156 tekent broeder “Hazo” een oorkonde waarin abt en monniken van Echternach in ruil voor grond op Schouwen afstand doen van de rechten van hun Hollandse kerken. Eén van de ministerialen die ook tekent is ene Aloldus de Waderlo.» (Albert Delahaye, Willibrord en Waalre, p. 190). Anders dan Arnoud-Jan Bijsterveld dacht begonnen de vervalsingen volgens Albert Delahaye niet met proost Theoderic van Echternach in 1190, maar al met abt Thiofried van Echternach (1093-1110) een eeuw eerder. Ton Spamer raakt waarschijnlijk daardoor in de war en verwisselt de twee. In 704 wordt Waetrilo vermeldt, gelegen aan de Dutmala; dat is niet Waalre dat niet eens aan de Dommel ligt, maar Wattrelos bij Roubaix aan de Deûle. Het verhaal zou nog opmerkelijker worden als zou blijken dat frater Hazzo en Aloldus uit Wattrelos kwamen en niet uit Waalre.

38. De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 396.

39. De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 439-440.

40. De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 441.

41. De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 443.

42. De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 446.

43. Nederlandse plaatsnamen. De herkomst en betekenis van onze plaatsnamen / Gerald van Berkel en Kees Samplonius. – Utrecht : Het Spectrum, 1995. – 279 p. – p. 244. Voor Fleodedrum / Flêtre / Vlierden, zie : De ware kijk op…, deel I, t.a.p., p. 422, 424, en deel II, p. 370, 374, 396, 456 en 467, 477.

44. De Wattreloe-teksten zijn te vinden in De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 28, 370, 374, 383, 384, 389, 392, 397, 431, 433, 439, 441, 443, 446, 447, 450, 453, 454, 476, 477 en 503. Waalre ontstond pas in de twaalfde eeuw. In een ingezonden brief van 4 augustus 1981 aan het Eindhovens Dagblad verwart Arnoud-Jan Bijsterveld eerst de Franse naam Wattrelos met de Nederlandse naam Waterlo, en dan verwart hij de bij Roubaix gelegen plaats ook nog eens met Waterloo ten zuiden van Brussel, alwaar het leger van Napoleon Bonaparte werd verslagen. Het was die blunder – tezamen met de tweede blunder waarbij hij Tournehem ook al in het verkeerde land plaatste – die hem noopten tot het schrijven van zijn artikel, waarin hij het echter nóg bonter maakte. Hij schrijft over zijn ingezonden brief : «Voor de rest blijf ik staan achter mijn artikel, geschreven naar aanleiding van een Tros-Aktua-special, die geen enkele reaktie van de kant van wetenschappelijke onderzoekers aan bod liet komen.». Zonder ook maar iets te hebben gelezen reageerde hij op wat hij had begrepen van een televisie-programma van Henri Schoup die het resultaat was van het jarenlang niet-reageren van de kant van wetenschappelijke onderzoekers die over het algemeen iets meer toegang hebben tot de media (Albert Delahaye, Willibrord en Waalre, t.a.p., p. 109, noot 4).
De middeleeuwse pretenties voor Waalre zijn fabuleus : «Pas vanaf het tijdperk van de Kruistochten, de 10de en 11de eeuw, werd de watermolen een meer algemene verschijning in West-Europa en ook in Nederland. Hier moet al vroeg in de achtste eeuw een watermolen bij het Brabantse Waalre hebben gestaan, maar pas vanaf de twaalfde eeuw komt de watermolen regelmatig in oude archiefstukken voor.» (Windmolens in Nederland / Drs. P. Nijhof met foto’s van Ger Dekkers. – Zwolle : Uitgeverij Waanders, 1983. – 192 p. – p. 7; zonder bronopgave).

45. Als bron wordt opgegeven : Holle boomstammen, t.a.p., p. 413, alwaar de zin niet is terug te vinden; het juiste bladzijdenummer is 285.

46. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 15.

47. Waarschijnlijk een toespeling op de brief van Theoderich van Echternach aan keizer Hendrik VI uit 1192, zie : De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 448.

48. De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 452-453; de keizer schijnt zich geen antwoord verwaardigd te hebben.

49. De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 454; dergelijke commentaren zijn aldaar ook te vinden voor de Echternachse aanspraken in Diessen, Oss en Waalre. Voor Durninum / Drouvin / Douvrin / Deurne, zie : De ware kijk op…, deel I, t.a.p., p. 85, 94, 449, en deel II, p. 370, 374, 389, 391-392, 396, 453-454, 456, 458, 465, 479, 532 en 572.

50. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 14.

51. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 14.

52. Zie : Middeleeuwse geschiedenis van Bakel t.b.v. een opgraving van boerderijen uit deze periode door Archol B.V.. Ton Spamer heeft dus alleen een hypothese, gebaseerd op het axioma dat Baclaos Bakel zou zijn. Voor Baclaos / Bacalos / Bagaloso / Bailleul / Bailleulval / Bailleulmont / Bakel, zie : De ware kijk op…, deel I, t.a.p., p. 418, 422-423, en deel II, p. 370, 374, 393, 396, 434, 452-454, 456, 458, 462, 473, 479, 490 en 572.

53. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 29, noot 9.

54. Arnoud-Jan Bijsterveld wilde het in 1983 nóg ouder hebben  «Het is dus onjuist dat de Gemeente Waalre in een advertentie stelt dat het huidige Oude Willibrorduskerkje [van Bakel] in 712 door Willibrordus gesticht werd. Misschien bestond het kerkje al eerder, dat wil zeggen voordat het door Willibrord werd ingewijd, en bovendien is het precieze jaar niet bekend.» (Albert Delahaye, Willibrord en Waalre, t.a.p., p. 153), zodat Bakel een vreselijk oude kerk zou hebben, maar alleen vergeten was om die vóór het verschijnen van Willibrord te laten inwijden, of anders alvast een kerk had gebouwd om zich voor te bereiden op de kerstening door Willibrord. De inmiddels hoogleraar geworden Brabander herhaalde dat nog eens in het Eindhovens Dagblad van 6 november 2000.

55. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 14.

56. Zie : De Ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 454; aldaar ook verwijzing naar : Grundherrschaft III. Urkunden- und Quellenbuch zur Geschichte der Grundherrschaft Echternach bis zum Jahr 1517. Band III / C. Wampach. – Luxemburg, 1951, nrs. 142, 330, 634, 744a, 744b, 823, 824, en : Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. Deel 1: De Meierij van ’s-Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert) / H.P.H. Camps. – ’s-Gravenhage : Nijhoff, 1979, nrs. 8, 31, 34, 51, 61, 134, 220.

57. Deurne en De Peel in brons- en ijzertijd : ca. 2000 v.C.-ca. 450 n.C. : het Maas-Aa-gebied van Grave tot Roggel op grond van plaats- en waternamen / A.P.G. Spamer. – Deurne : Heemkundekring H.N. Ouwerling, 1998. – 32 p. – (Deurnse historische reeks ; 1).

58. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 15. Voor Prims, Verbist, Post en Fritze wordt geen bron opgegeven; de ‘definitieve stellingname’ van Werner is in werkelijkheid een terzijde in een artikel dat niet over Antwerpen gaat. En daaraan kan worden toegevoegd : in de regio Utrecht zoekt men al even tevergeefs naar sporen van hoogmiddeleeuwse bezittingen van de abdij Echternach, zodat Ton Spamer hier zijn eigen ruiten staat in te gooien. De verklaring is prozaïsch : Echternach probeerde niet om Utrecht iets afhandig te maken omdat het Utrecht nodig had als bondgenoot tegenover Holland. Utrecht moet heel verbaasd zijn geweest over haar eigen verleden juist omdat het zelf niets bezat uit de erfenis van Willibrord. In Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot heden, t.a.p., p. 32, wordt de mythe van Antwerpen gehandhaafd en aldaar wordt gemeld : «Het onderzoek van de schenkingen aan Willibrord, het bezit van de abdijen van Echternach en Sint-Truiden en dat van de Luikse geestelijke instellingen is opnieuw ter hand genomen.» Daarvoor bestaat inderdaad alle reden.

59. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 14. Ook bijvoorbeeld de oorkonden van de St.-Bertijnsabdij in St.-Omaars werden vervalst : «Von den Schenkungsurkunden und Privilegien erwiesen sich allerdings die meisten als gefälscht oder verfälscht, wie die neue Forschung gezeigt hat» (Biographisch-Bibliographisches Kirchelexikon). Idem voor de Codex Eberhardi van het klooster van Fulda : «een van de grootste vervalsingsoperaties die in de Middeleeuwen in één enkele werkplaats ooit plaatsvond.» (zie : De Codex Eberhardi, een vervalste goederenlijst uit Fulda.

60. In het zogenaamde Testament van Willibrord worden de bezittingen in Antwerpen en die in Taxandria (Durninum ontbreekt daar !) zelfs tezamen genoemd; Zie : De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 383-384.

61. Zie : Antwerpen, Willibrordus en Bonifatius / Joep Rozemeijer. – In : Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 51-64.

62. Voor Andres : De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 487; voor Antwerpen, zie : De ware kijk op…, deel I, t.a.p., p. 159 en 245, en deel II, p. 32, 76, 365, 367, 384-386, 442-443, 448, 461, 462, 474, 487, 493, 502, 527, 528, 539, 553-555, 558, 563, 567 en 576.

63. De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 385-386.

64. Urbis Traiectensis… / J. Kreijns. – In : SEMafoor, jaargang 5, nr. 2, mei 2004, p. 19-23; zie ook de inleiding op p. 18; en : Maastricht, Willibrord en Bonifatius / Hans Kreijns. – In : Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 35-50; maar vooral : Traiectum Utrecht of Maastricht / J. Kreijns en L. Pirson. – Maastricht : Gadet, 1998. Een antwoord van Hans Kreijns op Ton Spamer is te vinden in : Utrecht 700-950 / J. Kreijns, in : SEMafoor, jaargang 6, nr. 1, februari 2005, p. 26-29.

65. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 20. In een reactie (SEMafoor, jaargang 6, nr. 1, p. 27) laat Hans Kreijns bovendien weten dat de vertaling “fort Maastricht” letterlijk is overgenomen uit de Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg, 127, Maastricht, 1991, p. 32.

66. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 21. Men vergelijke de methode-Wampach waarin een dwingende interpretatie wordt opgelegd door eerst de ‘vertaling’ te geven met de oorspronkelijke naam tussen haakjes erachter; door zijn protest maakt Ton Spamer duidelijk dat hij ook dát boek nimmer heeft geraadpleegd. Dat Utrecht niet aan de Rijn ligt is voor Ton Spamer een verwaarloosbaar detail.

67. Bron : Het oude Trecht als de oorsprong der stad Utrecht : uit de oorspronkelijke bronnen beschreven / door J.J. de Geer van Oudegein. – Utrecht : Kemink en Zoon, 1875. – 185 p. – p. 55. Zie daarover : Antonina, Wiltenburg, Traiectum, de kennis van het Romeinse verleden van Utrecht door de eeuwen heen / C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. – In : Jaarboek Oud-Utrecht 1997. – p. 97-124. Jan Jacob de Geer van Oudegein (1820-1911) was “archivaris van de protestantse tak van de Duitse Orde en amateur-historicus” (Antonina, Wiltenburg, Traiectum, t.a.p., p. 115-116). Het boek van De Geer van Oudegein ontbreek aldaar in de literatuurlijst. Voor een recenter uitgave waarin het citaat te vinden is, zie : Diplomate Belgica, t.a.p., p. 308.

68. Verwijzing naar : Willibrord, zijn wereld en zijn werk : voordrachten gehouden tijdens het Willibrordcongres Nijmegen, 28-30 september 1989 / P. Bange, A.G. Weiler (red.). – Nijmegen : Centrum voor Middeleeuwse Studies, Katholieke Universiteit Nijmegen, 1990. – 388 p. Een titel waarnaar Ton Spamer niet verwijst is : Willibrords missie : Christendom en cultuur in de zevende en achtste eeuw / A.G. Weiler. – Hilversum : Uitgeverij Gooi en Sticht, 1989. – 266 p.

69. Een reeks van Trajectum-citaten die door Hans Kreijns aan Maastricht worden toebedeeld zijn bijvoorbeeld door Albert Delahaye aan Trith-St.-Léger toegewezen. Hans Kreijns schrijft : «Van Delahaye-kant wordt Maastricht afgedaan met als enig argument: Delahaye heeft gelijk, dus Maastricht kan het Trajectum van Willibrord niet zijn.». Dat klopt niet helemaal, zie : De ware kijk op…, deel I, t.a.p., p. 105, 295 en 362 en 245, en deel II, p. 46, 58-59, 67, 92, 185-188, 215, 218, 296, 353 en 545, en Ontspoorde historie, t.a.p., p. 155-159. Op de tegenwerping dat de bezittingen van Trajectum niet in de omgeving van Maastricht, Antwerpen of Utrecht kunnen worden aangewezen reageert Hans Kreijns als volgt : «Als belangrijkste argument voor de visie Tournehem gelden de toponiemen van de omgeving. In ieder van oudsher dicht bewoond gebied zijn echter met enige fantasie veel mogelijke plaatsnamen aan te wijzen.»; maar hij heeft ze niet in de omgeving van Maastricht aangewezen, met of zonder fantasie (Traiectum-discussie / J. Kreijns. – In : SEMafoor, jaargang 5, nr. 2, p. 18.).

70. Zie : Willibrord; vergelijk : Holle boomstammen, t.a.p., p. 205-215. Voor meer zie : De goederenlijst van 870 uit het Cartularium van Radboud.

71. Ton Spamer meldt alleen heel zuinig : «Vandaar kwam hij in 690 naar het rijk der Franken om het Christendom te gaan prediken onder de Friezen.» (Utrecht en Dokkum : Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 11). Volgens Theofried van Echternach was het in de haven van Gravalinge (Grevelingen, Frans Gravelines, bij Calais), bij Trajectum in Fresia, en Willibrord zelf schreef dat het in Francia was; zie : Willibrord. Traditionalistisch was het Katwijk, wat haast niemand nog durft te herhalen; dat is één van die vele traditionele dogma’s die geruisloos zijn afgevoerd en die daardoor stilzwijgend blijven voortleven.

72. Het klooster van Willibrord, dat in 722 volgens de bronnen «beneden de muren van het castrum Traiectum is gebouwd» (Ontspoorde historie, t.a.p., p. 81) kan dus niet in Echternach hebben gestaan als Trajectum Utrecht was; daarom wordt er een spelletje stuivertje-verwisselen opgevoerd met een secundair klooster te Utrecht : «Aan de Salvatorkerk verbond Willibrord een klooster dat al spoedig een dominerende rol speelde.» (Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 19). Er is in Utrecht vanzelfsprekend niets gevonden dat voor de resten van een achtste eeuws klooster kan doorgaan.

73. Arnoud-Jan Bijsterveld maakte zich er in 1983 als volgt van af : «Deze Willibrord-verering zou in de Nederlanden volgens Delahaye pas van na de dertiende eeuw stammen. Ik ben van mening dat hij in zijn hoofdstukken "De Noordelijke traditie" en "De Zuidelijke traditie" veel te veel nadruk legt op die verering.». Arnoud-Jan Bijsterveld ontkent het feit niet, suggereert toch dat het alleen maar om een mening van Albert Delahaye gaat, en probeert vervolgens dit cruciale feit als een niemendalletje voor te stellen (Albert Delahaye, Willibrord en Waalre, t.a.p., p. 108); zie ook : De gebeenten van Willibrord.

74. Ze zijn allemaal te vinden in : De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 481-523.

75. Het is pas sinds de tiende eeuw dat bisschoppen als vazallen de wereldlijke macht kunnen uitoefenen. Dat vormde het begin van de investituurstrijd omdat de paus het alleenrecht op die aanstellingen opeiste. De paus won, en het gevolg was dat de keizer bisschoppen geen wereldlijke macht meer gaf.

76. Utrecht en Dokkum, Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 18. Albert Delahaye vertaalt dit fragment als volgt : «Maar nu heeft de bisschop van Colonia deze zetel van de voornoemde bisschop Clemens […] aan zich getrokken met de bewering dat die hem toebehoort, omdat er nog de fundamenten lagen van een kerkje, door de heidenen verwoest en tot de grond toe afgebroken, dat Willibrord in de burcht van Traiectum (Tournehem) aantrof, en op welke fundamenten hij met eigen handen een nieuwe kerk optrok, die hij ter ere van St. Martinus consacreerde. Men voert aan dat reeds lang voorheen Dagobert, de koning van de Franken (623-639), de burcht van Traiectum (Tournehem) met de verwoeste kerk aan het bisdom van Colonia gegeven had onder de voorwaarde dat de bisschop van Colonia het volk van de Fresones (Vlaanderen) tot het geloof bekeren moest en zijn prediker zou zijn, wat deze echter niet heeft gedaan.» (Ontspoorde historie, t.a.p., p. 101). Colonia is hier Avesnes-sur-Helpe.

77. Ontspoorde historie, t.a.p., p. 100-104.

78. Ton Spamer verwijst naar : Frieslands oudheid. Het rijk van de Friese koningen, opkomst en ondergang / H. Halbertsma. – Utrecht : Matrijs, 2000. – 408 p. – p. 50; Halbertsma behandelt het echter op p. 231-232. Dit haalt Ton Spamer níet aan : «De opgravingen, sinds 1929 met ruime tussenpozen tot in de vijftiger jaren op het Domplein verricht, zijn tot op heden nog slechts ten dele gepubliceerd en hebben met name op het klemmende punt van de door Willibrord herstelde dan wel herbouwde ecclesiola geen bevredigend antwoord vermogen te geven.» (t.a.p., p. 233). ‘Bevredigend’ voor wie en voor wie ‘beklemmend’? De eerlijkheid van Herre Halbertsma als archeoloog is op dit punt boven iedere twijfel verheven, juist omdat hij als historicus in de mythen geloofde. Met die vrijpostigheid heeft hij postuum de woede opgewekt van Ton Spamer, die hem verschillende keren een veeg uit de pan probeert te geven. Hoe er in Utrecht al eeuwenlang geknoeid is met historische namen wordt duidelijk uit een voetnoot van Samuel Muller uit 1892 : «Ten behoeve van vreemdelingen te Utrecht merk ik op, dat de kerk van het kapittel van Oudmunster blijkens onze oorkonden eerst aan de H. Maagd gewijd was, terwijl in de 12e eeuw St. Bonifacius, later steeds St. Salvator als patroon voorkomt. De vier namen duiden dus steeds hetzelfde kapittel aan.» (Het oudste Cartularium van het Sticht Utrecht / uitgegeven door Mr. S. Muller Fz. – ’s Gravehage : Matinus Nijhoff, 1892. – lxxxv, 276 p. – (Werken ; 3e serie, nr. 3). – p. xliii).

79. Aan de theorieën van J.J. De Geer van Oudegein over de boederij Wiltenburg en de vereenzelviging van Wiltenburg met Vechten staat in Antonina, Wiltenburg, Traiectum (t.a.p., p. 115-116, noot p. 122), in een voetnoot : “Dekker stelt voor te lezen [in de tekst van abt Gregorius]: ‘in de plaats die Traiectum wordt genoemd en een [andere] plaats met de naam Wiltaburg’. Het gaat echter om de zetel van de bisschop en er is geen enkele aanwijzing dat die zetel zich ooit in Vechten-Wiltenburg heeft bevonden. Aangezien daar ook in later tijd nooit meer blijkt te hebben gestaan dan een eenvoudige kapel, achten wij die niet erg waarschijnlijk. Trouwens, wat zou de bisschoppen bewogen moeten hebben om afwisselend te resideren in twee op zo korte afstand van elkaar gelegen plaatsen?”. De verwijzing is naar : Het Kromme Rijngebied in de middeleeuwen / C. Dekker. – In : Stichtse Historische Reeks.  Utrecht, 1983. – (Stichtse Historische Reeks ; 9).

80. Antonina, Wiltenburg, Traiectum, p. 116.

81. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 22 : «het existeren van Wiltenburg in Vechten (en alleen dáár)».

82. In 1829 werd opdracht gegeven tot archeologisch onderzoek, Zie : Verhandeling over Wiltenburg, de leger- of wapenplaats der Romeinen, bij Vechten, onder Bunnik, en over de begonnen vergravingen aldaar in den jare 1829 / J. Scheltema. – In : Geschied- en Letterkundig Mengelwerk IV, 2e stuk. – Utrecht, 1830. – p. 323-353.

83. De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 242. Een plaats die Albert Delahaye in dit verband niet vermeldt is Wilz of Wiltz, genoemd in 792 en 797, momenteel Welles genaamd, een gehucht van Nordausques, op drie kilometer ten noordoosten van Tournehem (De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 369, 416, 417 en 478); het bestaan van deze plaats versterkt zijn argumentie aanzienlijk. Ton Spamer schrijft daarentegen : “Omdat niets bekend was van een bijnaam Wiltaburg met betrekking tot Utrecht meende men hierin in elk geval een bewijs te vinden dat Traiectum niet Utrecht geweest kon zijn. Nu staat vast dat van Maastricht, Antwerpen en Tournehem óók niet bekend is dat die ooit Wiltaburg hebben geheten. In dat opzicht zijn alle vier plaatsen aan elkaar gelijk.” (Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 19). Nog een bewijs dat hij het werk van Albert Delahaye niet gelezen heeft.

84. Utrecht en Dokkum, Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 19. Als referentie wordt V,11 in plaats van I,11 opgegeven. Een deel van de tekst van Beda is ook te vinden in de Bibliotheca Augustina.

85. Ontspoorde historie, t.a.p., p. 64.

86. De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 256.

87. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 21. Er is weer een beetje gesmokkeld, want die Wilten woonden voorheen traditionalistisch aan de Oostzee : «Vermochten de Saxen niet meer; hun naaburen, de Schlaven, gingen voort met de grenzen te ontrusten. Welitabenof Wilzen (de laatste naam is het vroegervermelde Wilten) heeten zij thands en zijn aan de Oostzee gehuisd.» (Willem Bilderdijk, Geschiedenis des vaderlands, t.a.p., p. 85-86). Voor die Slavische Wilten bestaan geen andere bronnen; als ze bij Traiectum woonden, dan woonden ze juist níet in Oost-Europa.

88. De ware kijk op…, deel I, t.a.p., p. 146, en deel II, t.a.p., p. 73, 216, 217, 237, 238, 261, 276, 283, 291, 310, 320, 323 en 512.

89. De ware kijk op…, deel I, t.a.p., p. 282; zie ook : Ontspoorde historie, t.a.p., p. 169-170 en 188-189.

90. De Utrechtse Wilten, zo wil de traditie, maar dit slechts terzijde, kozen Heer Lem, die met een reuzin was getrouwd en die rond het jaar 400 Haarlem stichtte, tot hun koning. Er zijn ook leuke traditionalistisch-naamkundige verbanden gelegd tussen de Wilten en Utrecht : «Utrecht is Aud-trecht (sommigen Wilt-drecht (Willem Bilderdijk, Geschiedenis des Vaderlands, deel 1, t.a.p., p. 235).

91. In Bodegraven werd het in de achttiende eeuw opnieuw een familienaam, zie : Genealogie van Pieter (Petrus) Hendrikse Wiltenburg.

92. Utrecht en Dokkum, Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 20. De cursiveringen zijn hier toegevoegd.

93. Antonina, Wiltenburg, Traiectum, t.a.p., p. 103.

94. Dat een Rudolf van Stoutenburg inderdaad heeft bestaan bewijst natuurlijk niets, nog afgezien van de vraag waaraan de kennis van dit dertiende eeuwse handschrift – zo dit bestaan zou hebben – ontleend was; dat er een naamsverklaring wordt gegeven en er een familie der opperjagtmeesters wordt genoemd maakt het heel wat waarschijnlijk dat we te maken hebben met een achtiende eeuwse mystificatie; Melis Stoke vermeldt deze gegevens in ieder geval niet.
Volledigheidshalve (hier niet gebruikt) nog twee bronnen voor ‘Wiltenburg’ :

  • Wiltenburg, de stad der Wilten ? / J.H.P. Kempering. – In : Mededelingen van de Vereniging voor Naamkunde te Leuven en de Commissie voor Naamkunde te Amsterdam, XII, 1936, p. 147 e.v.
  • Verhandeling over de Slaven, Wilten en Warnen / D[avid].J[acob]. van Lennep [1774-1853]. – In : Verhandelingen der Tweede Klasse van het Koninklijk-Nederlandsche Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten, 1839, p. 189-192

95. Utrecht en Dokkum, Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 18.

96. Willibrords missie, t.a.p., p. 111.

97. Utrecht en Dokkum, Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 18. Nu waren die funderingen al veel eerder gevonden, en die Salvatorkerk stond zelfs al afgebeeld op een schoolplaat van Isings uit 1954, zoals te zien op blz. 84 in het eerder vermelde boekje van dr. Marco Mostert. Niemand bestrijdt wat er is gevonden; de vraag is wanneer wat is gevonden werd gebouwd en hoe het toen werd genoemd. In het genoemde artikel van Hans Kreijns uit 2005 wordt voor de veronderstelling dat de H. Kruiskapel de Salvatorkerk zou zijn geweest verwezen naar een artikel van Charlotte Broer en Martin de Bruijn uit het K.N.O.B.-Bulletin, jaargang 93, 1994, nr. 4-5, p. 135. Zie ook : Willibrord. Apostel van Noord-Frankrijk, t.a.p., p. 25-29 en p. 33-36.

98. Continue discontinuïteit / C. van Rooijen. – In: Jaarboek Oud-Utrecht, 1999, p. 5-34; en : Discontinue continuïteit / Tarq Hoekstra. – In: Jaarboek Oud-Utrecht, 2000, p. 186-188.

99. Continue discontinuïteit, t.a.p., p. 9-10.

100. Continue discontinuïteit, t.a.p., p. 27.

101. Continue discontinuïteit, t.a.p., p. 28.

102. Discontinue continuïteit, t.a.p., p. 186.

103. Discontinue continuïteit, t.a.p., p. 186-187.

104. Discontinue continuïteit, t.a.p., p. 187.

105. Discontinue continuïteit, t.a.p., p. 188.

106. Discontinue continuïteit, t.a.p., p. 188.

107. Bron : Utrecht: we heffen het glas, op Willibrord, Trouw, 24 juni 1995. Arnoud-Jan Bijsterveld is categorisch over dit kerkje : «Maar omstreeks 650 werden de Franken weer uit Utrecht en Dorestat geworpen en het Utrechtse kerkje werd verwoest. Rond 690 vond dan het Frankische tegenoffensief plaats, maar in 714 was Redbad er weer heer en meester.» (Albert Delahaye, Willibrord en Waalre, t.a.p., p. 104). In Utrecht weten ze nooit maat te houden, want de laatste smoes is dat er niets meer is te vinden omdat alles is weggespoeld. Als de transgressies niet meer kunnen worden ontkend wordt er gelijk maar een tsunami van gemaakt. In Continue discontinuïteit wordt daarover opgemerkt : “Bij het archeologisch onderzoek van de laatste jaren blijkt steeds weer dat in de vroege Middeleeuwen veeleer sprake was van sedimentatie dan van erosie. Niet onlogisch, omdat bij overstromingen nu eenmaal altijd sedimentatie, vaak over een groot gebied, plaatsvindt en slechts zeer lokaal, bij doorbraken of riviergeulverlegging, sprake is van erosie. Het is dan ook noodzakelijk een nieuwe verklaring voor dit gebrek aan archeologische gegevens te zoeken” (t.a.p., p. 7). En : “Na het vertrek van de Romeinen in 275 en enkele bescheiden aktiviteiten in de 5de eeuw is daar, met uitzondering van de periode tussen circa 700 en 834, tot in de 10de eeuw nauwelijks meer iets gebeurd. Voorheen is dit wel verklaard door te stellen dat allerlei bewoningssporen weggespoeld zijn; met name door de 12de eeuwse overstromingen. In het voorgaande is aangegeven dat wateroverlast van rivieren vooral (en altijd) voor sedimentatie zorgt en complicerend is voor de bewoning.” (t.a.p., p. 26).

108. Bron : 2000 jaar Domplein in Utrecht. Waar Ton Spamer zijn vette ‘M’ zet voor Maartenskerk vermeldt de archeoloog Halbertsma : «Heilige kruiskapel, met gedeeltelijk daaronder het Romeinse hoofdgebouw» (Frieslands oudheid, t.a.p., p. 233).

109. Utrecht en Dokkum, Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 18; een riemtong is een voorloper van de riemgesp en was in gebruik tot in de zestiende eeuw. Bij de twee kindergraven is ook één graf van een volwassenen gevonden, waar geen giften zijn gevonden. De ‘kostbare grafgiften’ voor de jongens van tien en elf jaar oud bestaan voor het ene graf uit : een glazen kommetje, een benen kam, een ijzeren werpbijl van 18 centimeter, een fragment van een ijzeren vuurslag, een bronzen gesp, een ijzeren mes van 11,8 centimeter, en voor het tweede graf : een ijzeren mes van 15 centimeter, een deel van een gespje, een glazen spitsbeker, een ijzeren bijl van 17 centimeter, een hertshoornen gesp, en een benen kam (Willibrord en het begin van Nederland, t.a.p., p. 62-63). Deze vondsten zijn gedateerd op de jaren 410-443 en werden beschreven in 1992.

110. Het Volksmisboek en Vesperale bevattende al de missen en gebeden van het Romeinsch Missaal bewerkt door de Benedictijnen der Abdij Affligem versierd naar oorspronkelijke teekeningen van Jos. Speybrouck. – Zesde uitgave. – Utrecht, Nijmegen : N.V. Dekker & Van de Vegt en J.W. van Leeuwen, 1939. – 1632 p. + bijlagen. – p. 86*.

111. Traiectum, Echternach en de bronnen, p. 34. Spamer beroept zich op Bijsterveld; Bijsterveld beroept zich op Camps; Camps beroept zich op Smulders. Waar Ton Spamer al zijn schitterende taalregels vandaan heeft vertelt hij ons niet.

112. Utrecht en Dokkum, Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 15.

113. Utrecht en Dokkum, Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 29, noot 33. Dat Ton Spamer “Gallo-Romeins” schrijft voor Gallo-Romaans is net iets meer dan een ‘schoonheidsfoutje’ voor iemand die zichzelf graag afficheert als ‘(taal-) historicus’. In Frans-Vlaanderen, aan de kanaalkust, bestaat er trouwens wel degelijk een invloed van het Engels; het gebied is meerdere malen in Angelsaksische handen geweest.

114. Holle boomstammen, t.a.p., p. 233. De passage waarin «after the lake» zou staan is teruggevonden door Hans Den Besten. Het woord “the” blijkt door Ton Spamer te zijn ingevoegd en het gaat niet om Engels maar om Nederlands. De passage luidt : «De bisschopszetel bevond zich te Tournehem, de abdij te Eperlecques. Haar oorspronkelijke naam werd gespeld: Afterlacum of Aefterlacum (after lake, nl. daar waar de rivier de Albis/Aa in het meer uitmondde, dus – landinwaarts gezien – voorbij het meer). Praktisch identiek is de Franse versie: Eperlecques (après lac). Enigszins afwijkend is de waarschijnlijk oudste (Dietse) benaming: Nifterlaca (nààst het meer). De ‘l’ van Aefterlacum werd al in de 8e eeuw tot ‘n’, conform een meer voorkomende assimilatie c.q. spraakgebrek. Verdere vereenvoudigingen waren: Efternacum, Aepternacum, Epternacum en Epernacum. Die naam van de door Willibrord gestichte abdij was in al z’n varianten geheel op haar zeer bijzondere landschappelijke (of eerder waterschappelijke) situatie toegespitst. Daarom alleen reeds had men tegen de vereenzelviging van het Luxemburgs klooster met Willibrords oorspronkelijke abdij eenvoudig kunnen aanvoeren dat het eerstgenoemde, qua ambiance, gewoonweg niet beantwoordde aan het signalement van de echte Willibrord-abdij zoals het met naam en toenaam in de akten is vastgelegd.» (Ontspoorde historie, t.a.p., p. 82.). De naam Nifterlaca komt alleen drie keer voor in het Cartularium van Radboud, één keer in verband met het klooster van Willibrord, maar niet als naam van dat klooster (Diplomate Belgica, t.a.p., p. 305, afschrift van een oorkonde uit 723, kopie eind elfde eeuw). De naam staat in geen enkel Echternachs document, alwaar we als oudste vorm de naam Aefternacum voor het klooster aantreffen. De vereenzelviging van de twee namen  – Nifterlaca en Aefternacum – is van Albert Delahaye. Zie : De Deurnse Doordraver, Epiloog, Over de Utrechtse Nifterlaca-mythe.

115. De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 43.

116. Utrecht en Dokkum, Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 15.

117. Het gaat om : Noms de lieux du Nord-Pas-de-Calais : Introduction à la toponymie / Denise Poulet. – Paris : Bonneton, 1997. – 232 p.

118. Holle boomstammen, t.a.p., p. 232-233.

119. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 15. De relikwieën van St. Bertijn werden in 846 op verzoek van Adelard, de toenmalige abt van het klooster Sithui (de St.-Bertijnsabdij), overgebracht naar Terwaan (Frans Thérouane) vanwege de invallen van de Noormannen en de intriges van Karel de Kale en eerst in 1052 teruggebracht (zie : Biographisch-Bibliographisches Kirchenlexikon, Verlag Traugott Bautz). Deze translatio (overbrenging) van St. Bertijn staat zelfs vermeld op de Kalender van Willibrord (zie : Ontspoorde historie, t.a.p., p. 117), wat voor Utrecht en Echternach een raar gegeven is omdat Bertijn een plaatselijke heilige was.

120. «Onder druk van de invallen van de Noormannen werd de zetel tussen 858 en 920 verplaatst naar Roermond en vervolgens naar Deventer. Bisschop Balderik (918-976) kon naar Utrecht terugkeren.» (Grote Winkler Prins encyclopedie in 26 delen. Deel 24 – Amsterdam : Elsevier, 1990-1993, p. 229). Volgens anderen ging het niet om Roermond maar om Odiliënberg. Volgens een schenkingsakte van Lotharius aan Trajectum uit 858 ging het om een klooster dat in de streek van de Mosa aan de rivier de Rure ter ere van de H. Petrus was gebouwd en die Bergh wordt genoemd («in pago Mosa super fluvium Rure monasterium in honore sancti Petri constructum quod Bergh nuncupatur»; Diplomate Belgica, t.a.p., p. 326). In Holle boomstammen nam Albert Delahaye aan dat het hier om Berg (Mons) aan de Sura (Sauer) ging, wat hij als het latere Echternach opvatte; maar zie vooral : Ontspoorde historie, teksten 78, 94, 96 en 246 en verderop. Let wel dat het hier alleen ging om een tijdelijk vluchtplaats van de bisschop met zijn kanunikken (de bisschop zetelde vervolgens in Daventria, dat is Desvres en niet Deventer), en niet om een verplaatsing van het klooster of zijn monniken. Noch van Roermond, noch van Odiliënberg zijn een Petrusklooster bekend. De ‘terugkeer’ die op zijn vroegst in  925 plaatsvond was in werkelijkheid de stichting van het bisdom Utrecht en deze had niets te maken met de eerdere vlucht uit Trajectum.

121. De ware kijk op…, deel II, t.a.p., p. 362-363.

122. Traiectum, Echternach en de bronnen, t.a.p., p. 36.

123. Zie : Arnulf van Gent, graaf van Gent, en : Adelbert van Egmond. Van de echtgenote van Siegfried, Hedwig of Hadewijch is geen zekere afstamming bekend; Bertels vermeldt dat zij een dochter was van graaf Eustachius van St.-Pol (overleden 1049) ten noordwesten van Atrecht en van Guînes bij Calais; aangehaald in : Das erste Luxemburger Grafenhaus (963-1136) / Heinz Renn. – Bonn : Röhrscheid, 1941. – xii, 194 p. – (Rheinisches Archiv ; Heft 39). – Oorspronkelijk proefschrift, Bonn, 1938. – p. 61. Heinze Renn merkt op : «Nun kennt aber Vanderkindere vor dem über dieses Geschlecht Untersuchungen vorliegen, einen Eustach erst für die Mitte des 11. Jahrhunderts. Es läßt sich also mit Bertels Mitteilung nichts anfangen.» Er zal verwisseling zijn opgetreden met Eustatius van Boulogne, gehuwd met Mathilde van Leuven; hun dochter Gerbera van Boulogne (±1015-±1049) was gehuwd met Friedrich van Luxemburg (±1005-±1059).

124. Sigefroid / J. Vannérus. – In : Biographie nationale (de Belgique), jaargang 22, kolom 394-407. – kolom 405. Van dezelfde schrijver zie : La première dynastie luxembourgeoise / J. Vannérus. – In : Revue Belge de Philologie et d’Histoire. – dl. 25, 1946-1947.

125. Zie bij voorbeeld : «878. Monasterium sancti Petri et sancti Bertini á Nortmannis incensum est 5. Kal. Aug. Fulco fit abba Sithiu.» (Annales Blandensienses, Monumenta Germaniae Historica, SS, V, p. 24). De benedictijnse St.-Bertijnsabdij te St.-Omaars werd in 649/651 op het schiereiland Sithiu aan de stroom Agniona (de Aa) gesticht door Omaar van Terwaan (ook Audomarus genaamd, afkomstig uit Normandië) als St.-Petrus en -Paulusklooster, later genoemd naar de tweede abt, Bertijn (Bertinus Sithivenses, ± 615-698). We kunnen ons afvragen of in 846 de relieken van Bertijn zonder de monniken zijn vertrokken. Stond het klooster in 857 leeg dan was het inderdaad een mogelijke en dichtbijzijnde vluchtplaats voor bisschop Hunger (zie boven). Volgens het Cartularium van Radboud kreeg deze een klooster toegewezen in Mosariorum bij de rivier Rura. Voor Rura wordt traditionalistisch Roermond gelezen en het klooster wordt opgevat als het St.-Odiliaklooster in St.-Odiliënberg (Zuid-Limburg). Albert Delahaye nam aan dat het ging om een leegstaand klooster aan de Sura (Sauer), waar vervolgens, na 973, Echternach ontstond : «Het is echter wèl mogelijk, ja – gezien de oude naam en gehandhaafde patronaten – heel waarschijnlijk hoewel niet strikt te bewijzen, dat het tijdelijk onderkomen van Hunger c.a. (toevalligerwijs) identiek was met het meer dan een eeuw later (weerom) leegstaande klooster (ook aan de Sauer) hetwelk in 973 werd ingericht voor de gloednieuwe benedictijner-communauteit onder de naam Aefternacum (Echternach).» (Ontspoorde historie, t.a.p., p. 120).

126. Traiectum, Echternach en de bronnen, t.a.p., p. 34.

127. De St.-Vaastabdij te Atrecht en de St.-Bertijnsabdij te St.-Omaars zijn beide gesticht door predikers uit het zuiden, Vaast (453-540, ook Vedast, hij predikte vooral onder de Franken) kwam uit West-Frankrijk, Omaar uit Normandië. Pas later vestigen Angelsaksische missionarissen zich in hetzelfde gebied voor prediking onder de Saxones en Fresonen. Vandaar dat er de nadruk op wordt gelegd dat Vaast hun taal niet sprak, terwijl Willibrord zich verstaanbaar kon maken.

128. Traiectum, Echternach en de bronnen.

129. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 15-16.

130. Die Abtei Echternach : 698-1998 / herausgegeben von Michele Camillo Ferrari, Jean Schröder und Henri Trauffler ; in zusammenarbeit mit Jean Krier. – Echternach : Centre luxembourgeois de documentation et d’études médiévales, 1999. – 374 p. – (Publications du CLUDEM ; 15). – p. 34.

131. Die Abtei Echternach, t.a.p., p. 34.

132. Die Abtei Echternach, t.a.p., p. 35.

133. Die Abtei Echternach, t.a.p., p. 36.

134. Die Abtei Echternach, t.a.p., p. 38.

135. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 16.

136. Zorg om kwaliteit / Ton Spamer. – In : SEMafoor, jaargang 4, nr. 4, november 2003, p. 24-29, en reacties daarop : t.a.p., p. 30-35, en : Slotwoord, in : SEMafoor, jaargang 5, nr. 1, februari 2004, p. 11-14.

137. Zie : de.sci.misc.

138. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 22.

139. Utrecht en Dokkum: Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 16.

140. Traiectum, Echternach en de bronnen, t.a.p., p. 37.



Start : 23 januari 2005 | Laatst bijgewerkt : 20 januari 2008