VorigePlaatsen in KennemerlandVolgende

Bakkum

Inhoud van deze pagina

  1. Bacchus
  2. Bogeheim
  3. Bacheim
  4. Bronnen en naamsverklaringen
  5. De vroegste vermeldingen van Bakkum
    Noten

1. Bacchus

Met een oud verzinsel werd de naam Bakkum afgeleid van de naam van de Romeinse god Bacchus waarmee het dorp een wel zeer respectabele leeftijd kreeg toegedicht. Het verbinden van locale geschiedenis aan Griekse en Romeinse mythologie was hersengymnastiek in de zestiende eeuw, toen Cornelius Aurelius (±1460-na 1523) het Bakenesserwoud bij Haarlem ook al in verband bracht met Bacchus (1).

2. Bogeheim

In 1901 schreef L.J.A.B. van Braakenburg, titulair heer van Bakkum :

«Onder den naam van Bogeheim of Bacchem vindt men reeds in oude tijden van Backum melding gemaakt. De geschiedenis verhaalt dat Antulf en Tolerid een zoon nalieten, die Bogenheim aan den op 5 Juni 754 te Dokkum vermoorden Bonifacius schonk, waardoor de door hem in 744 gestichte Benediktijner Abdij te Fulda eigenaresse werd. Lang bleef het geen kerkelijk goed, want reeds in 864 kwam Bogenheim aan Wollebrand, derden heer van Egmond.» (2).

Hetzelfde verhaal is te vinden in Ons Voorgeslacht van H.J.A. Hofdijk :

«En nu het duinpad in, dat tusschen de met geurig houtgewas omzoomde hellingen naar de groene valei voert, die, door de breede Hoepbeek en het Aremerswed besproeid, den hoevelingen van B o g e h e i m of B a c c h e m [in noot : Thands B a k k u m] goede weiden voor het vee, goede akkers voor den veldbouw oplevert. Voor zoo verre de landerijen, beemden, gebouwen en eigenhoorigen die ge hier ziet, eenmaal aan het echtpaar Antulf en Folcrid behoorden, zijn ze thands, by schenking door hun zoon aan Bonifacius gedaan, het eigendom der Benediktyner abdy van Fulda.» (3).

De tekst uit de Codex Eberhardi van het klooster Fulda in Duitsland luidt :

«Item idem Burgolf trad. sco Bon. hereditatem suam. quam sibi pater suus Antulf et mater sua Wofolcrid reliquerunt uel que ipse postea conquisiuit totum et integrum in Fresia situm. in terris. siluis. pratis domibus edificiis. et mancipiis. in auro et argento. in hic locis. in Bogeheim et in Leonesbac et in witmuntheim. et in Horgana et aliis locis.» (4).

Vertaald :

«Evenzo heeft Burgolf aan St. Bonifatius geschonken zijn erfgoed, wat hem zijn vader Antulf en zijn moeder Folcrid hebben nagelaten en wat hijzelf vervolgens heeft nagelaten, geheel en ongeschonden in Frisia gelegen, aan landerijen, bossen, weiden, huizen, gebouwen, en horigen, in goud en zilver, in deze plaatsen: in Bogeheim en in Leonspich en in Witmuntheim, en in Horgana en andere plaatsen.» (5).

De plaats Bogesheim, gelegen in Frisia, heeft niets met Bakkum te maken, de namen lijken niet eens op elkaar en de andere genoemde plaatsen kunnen niet in de omgeving worden aangewezen.

3. Bacheim

Een tweede bron die voor Bakkum kan worden afgeschreven is de vermelding in de oorkonden van het Duitse klooster Werden. Albert Delahaye schrijft daarover :

«Bacheim, genoemd in een akte uit 798 van Werden, liggend aan de rivier Melanbach, is Bachy, een gehucht van de gemeente Cyoing, op 13 km zuid-oost van Rijssel. Langs de plaats stroomt een beekje, zijrivier van de Marck, die als Malanbach (molenbeek) moet worden gedetermineerd.» (6).

4. Bronnen en naamsverklaringen

Noordhollandse plaatsnamen (Karsten, 1951) :

«Tot de gemeente [Castricum] behoort het dorp Bakkum, oudtijds Bachem (vóór 989. Okb. I, no. 66). dat samengesteld is uit de Friese mansnaam Bakke + hem. [in noot : N[omina].G[eographica].N[eerlandica]., I, 176.])» (7).

Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (De Vries, 1962) :

«Bakkum, N[ederland]-N[oord]H[olland], is een heem-naam verbonden aan de P[ersoons]N[aam] Bakko naast Bako, vleinaam van namen als Bagahard, Bagamar. Minder waarsch[ijnlijk] is het in bak een aanduiding voor een ‘lange heuvelrug, hoogte’ te zien.» (8).

Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200 (Künzel et al., 1988/1989) :

«Bakkum
1 km ten n[oorden] van Kastrikum (Noordholland)
w[aa]rsch[ijnlijk]. eind 11e e[euw]. naar een bron uit 2e helft 10e e[euw]. cop[ie]. ca. 1420 : in Bachem mansas tres (AantEvang FontEgm, p. 62) || 1105-1120 cop[ie]. ca. 1420 : Isset de Backem terram ibidem (LibStAdalb c. VI 1 ibid., p. 78) || 1105-1120 cop[ie]. ca. 1420 : Meinwi in Bacham terram (ibid., p. 79) || 1125-1130 cop[ie]. ca. 1420 : in Bachem mansus III (LibStAdalb c. II (Gravenreg) FontEgm, p. 68) || <1083> falsum 1125 - ca. 1150 : in Bacchem mansus tres (Koch, OBHZ I 88) || 1130-1161 cop[ie]. ca. 1420 : Walech de Bakkem dedit terram in eadem villa iacentem (LibStAdalb c. VI 2 FontEgm, p. 80) || 1130-1161 cop[ie]. ca. 1420 : terram ... que iacet in Backem (ibid., p. 81) || 12e e[euw]. cop[ie]. ca. 1420 : in Bachem tres libras (LibStAdalb c. III 1 ibid., p. 74) || w[aa]rsch[ijnlijk]. 12e e[euw]. cop[ie]. ca. 1530 : Gerardus et Henricus laici in Backem (NecrEgm, p. 97) - terram in Backem (ibid., p. 130) - terra in Backem (ibid., p. 136 en 139) || 1182-1206 cop[ie]. ca. 1420 : Reymero de Bachem ... dedit (LibStAdalb c. XIII 3 FontEgm, p. 92)
voor de datering van de Aantekeningen uit het Evangelieboek zie : Meilink (1939), p. 22-25; voor de datering van het LibStAdalb zie : Meilink (1939), p. 70-73; voor de datering van het Gravenregister
zie : Koch, OBHZ I 88, kopnoot; voor de datering van het NecrEgm zie : Meilink (1939), p. 56-59
o[ud]n[eder]l[ands]. hem “woonplaats” met *baka- “rug, welving, hoogte”»
 (9).

De (mogelijke) betekenis van alle Noordhollandse plaatsnamen van Aagtdorp tot Zwanenburg (Pannekeet, 1988) :

«BAKKUM (Castricum)
Oude vormen : o[nder].a[ndere]. : Bachem (eind 11e eeuw); Backem (1105-1120). Kan een samenst[elling]. zijn van de fri[ese]. p[ersoons]n[aam]. Bakke en -em, -um = heem, woonstee.
Rentenaar echter ziet in het 1e element het oude woord baka = (lange) heuvelrug, zodat de plaatsnaam zou duiden op een heem in of nabij de duinen.
Onder Arem heb ik er op gewezen, dat Rentenaar het 1e element van deze plaatsnaam opvat als haru = zandige heuvelrug. Het lijkt mij echter nogal dubieus dat in de namen van de twee nabijgelegen plaatsen Bakkum en Arem twee verschillende woorden voor een vrijwel synoniem begrip (n[ame]l[ijk]. heuvelrug) zouden schuilen. Zie ook > Lex[icon van nederlandse toponiemen tot 1200], blz. 77.»
 (10).

Nederlandse plaatsnamen (Van Berkel en Samplonius, 1995) :

«Bakkum [gem[eente]. : Castricum, NH] eind 11e E[euw] cop[ie]. 1420 Bachem; 1130-1161 cop[ie]. 1420 Bakkem; vroeger verklaard als heem ‘woonplaats’ van de persoon Bakke (fri[ese]. roepvorm van namen als Bertold etc.). Tegenwoordig voert men het eerste terug op germ[aans]. *baka ‘welving, hoogte’.» (11).

5. De vroegste vermeldingen van Bakkum

Van de opgegeven bronnen van vóór 1200 beschikken we alleen over (veel) latere kopieën en ze komen uitsluitend uit de Egmondse abdij. In de oorkonden van de graven van Holland wordt Bakkum voor het eerst vermeld in 1254, in een origineel document waarin Willem II, bij zijn leger bij Vronen in West-Friesland (hij was daar op veldtocht), al zijn ministerialen tussen Wimmenummerzwet en Aremerzwet ruilt tegen die van de abdij van Egmond wonende tussen Wimmenum en Bakkum (12). Vermeld wordt ook Flores van Backum, lekebroeder in de abdij van Egmond, en die 20 maart 1335 zou zijn overleden. In 1351 zou Willem V van Holland te Bakkum de Cunerakapel hebben laten bouwen.

De naam is meest waarschijnlijk ingevoerd en kan een verdubbeling van het Noord-Franse Bacheim zijn. Een andere verdubbeling is : Bacquehem-du-Lietz, genoemd als familienaam (13).


Noten

1. De opvattingen over onze oudere vaderlandsche geschiedenis bij de Hollandsche historici der XVIe & XVIIe eeuw / door Herman Kampinga. – [Herdruk]. – Utrecht : HES Publishers, 1980. – 207 p. – (Oorspr. uitg. ’s-Gravenhage : Martinus Nijhoff, 1917). – p. 5, noot 10.

2. Ambachtsheerlijkheid Backum / door L.J.A.B.v.B[raakenburg]. – Leiden : Eduard IJdo, 1901.
Over Wollebrand, heer van Egmond :
«In een oude acte vond ik een kladpapiertje, waaruit het volgende over het geslacht van de Heren van Bakkum opgemaakt zou kunnen worden.
Bij het jaartal 862 stond, dat Karel de Kale iemand aangewezen had als Heer van Bakkum. Dat zou de derde Heer van Bakkum moeten zijn en zijn naam zou Wollebrand zijn. Dit geslacht zou tot 1607 de titel Heer van Bakkum hebben gedragen. Toen zou Lamoraal als zesde graaf van Egmond het goed Bakkum hebben verkocht.»

(Historie van Castricum en Bakkum, D. van Deelen, t.a.p., p. 173).
Wolbrant, apocrief heer van Egmond, was in 1792 al afgeschreven in het Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden (t.a.p., p. 299) en Brouërius van Nidek meldt dat zijn bestaan al door Adrianus Junius en Pontus Heurerus voor ‘onwaarschijnlijk’ werd gehouden; zie ook : Egmond.

3. Ons Voorgeslacht (H.J.A. Hofdijk), t.a.p., p. 49-50.

4. Uitgave Droncke, p. 44; zie : De Codex Eberhardi, een vervalste goederenlijst uit Fulda; zie ook : De oorkonden van Holland en Zeeland tot 1101, tekst 16.

5. Vertaling ontleend aan : Nederlandse middeleeuwse bronnen / Bezittingen van Fulda in Frisia / Codex Eberhardi.

6. Holle boomstammen, t.a.p., p. 391.

7. Noordhollandse plaatsnamen (Karsten), t.a.p., p. 46; de naam ‘Bakke’ komt nu eens wél voor in het voornamenboek van Van der Schaar, maar dan, zoals altijd zonder bron, als Friese vrouwennaam, afgeleid van Bethold (Prisma voornamen, t.a.p., p. 65). Van een karolingische mevrouw Bakke te Bakkum is verder niets bekend; zie ook : Naamkunde.

8. Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (De Vries), t.a.p., p. 24.

9. Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200 (Künzel et al.), t.a.p., p. 76-77; de asterisk voor ‘baka’ betekent dat dat woord zelf is bedacht.

10. De (mogelijke) betekenis van alle Noordhollandse plaatsnamen van Aagtdorp tot Zwanenburg (Pannekeet), t.a.p., p. 41.

11. Nederlandse plaatsnamen (Van Berkel en Samplonius), t.a.p., p. 13-14.

12. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., p. 294.

13. Pas-de-Calais, Dictionnaire des communes, deel 1, t.a.p., p. 321.


Start : 22 november 2003 | Laatst bijgewerkt : 26 januari 2007