| Naamkunde |
Inhoud van deze pagina
1. De regels van de naamkundeOmdat er in Kennemerland archeologisch nauwelijks iets uit de vroege middeleeuwen is teruggevonden, is de geschiedenis grotendeels gebaseerd op de naamkunde waarbij verwaaide namen uit Frans-Vlaanderen op Kennemerland werden begrepen. Met het toepassen van de regels van de naamkunde is in het Nederlandse taalgebied dan ook nog niet eens ernstig begonnen (1), hetgeen geleidelijk in de nieuwere literatuur begint door te dringen : «Het goederenregister van de Sint-Maartenskerk in Utrecht uit de 10e en misschien zelfs 9e eeuw, geeft [...] een opsomming van de aanspraken van de kerk op bezittingen in Holland en Utrecht. Het is voor deze vroege tijd de belangrijkste bron van informatie die we hebben voor dit gebied. Echter, we weten niet hoe dit register er oorspronkelijk uitzag. De lijst is opgenomen in een cartularium waarvan later, onafhankelijk van elkaar, twee afschriften zijn gemaakt die wel bewaard zijn gebleven : een uit het einde van de 11e eeuw, de andere nog weer eens een eeuw jonger (ca. 1170). Toch worden in sommige handboeken de in het register vermelde naamvormen gedateerd als ‘circa 960’. Het is niet onmogelijk dat zulke dateringen hier en daar ook in dit boek zijn binnengeslopen. Evengoed is dit in wezen misleidend. Wat we hebben is niet ouder dan ca. 1070. [...] De oorkonden noemen namelijk niet altijd het jaar waarin zij opgesteld zijn, zodat we dan aangewezen zijn op moeizame reconstructie van de in aanmerking komende periode (bijv. 1083-1120), die dan door later onderzoek soms weer op losse schroeven wordt gezet. En tenslotte is zelfs een jaartal dat door de oorkonden zelf gegeven wordt, geen garantie voor een betrouwbare datering. In het middeleeuwse machtsspel om de inkomsten van landerijen en dorpen ontzag men zich namelijk niet om vermeende aanspraken kracht bij te zetten door het vervaardigen van geantedateerde, vervalste oorkonden.» (2). Oorkonden en andere documenten moeten kritisch worden gelezen in de volgorde waarin ze zijn samengesteld en niet in de volgorde van de perioden waarover ze handelen. Er dient te worden begonnen met de oudste documenten en naar het heden te worden gewerkt in plaats van eerst latere mythen voor zoete koek te slikken en vervolgens terug te werken naar het verleden en de mythen aldaar naar binnen te smokkelen. Worden de documenten in de juiste volgorde gelezen dat valt het met enige kritische instelling namelijk onmiddellijk op wanneer en in welke context een bepaalde bewering voor het eerst opduikt en hoe geloofwaardig die is. Kennemerland verschijnt in documenten pas in de twaalfde eeuw. Voor de geschiedenis is het bovendien noodzakelijk dat er een plaatselijke documentatie bestaat die archeologisch wordt ondersteund door een aantoonbare en ononderbroken bewoning (3) en die is voor het Kennemerland van vóór de twaalfde eeuw nergens aanwezig. Tenslotte moet voor plaatsnamen het geheel van de documenten in zijn samenhang als uitgangspunt worden genomen om het juiste geografische verband vast te stellen, in plaats van er wat losse stukken uit te halen op grond van oppervlakkige overeenkomsten in klank en schrijfwijze, altemeer wanneer een naam – wat eerder regel is dan uitzondering – op meerdere plaatsen voorkomt. In 1949 waarschuwde de naamkundige dr. Ch. Verlinden : «We hebben tot hiertoe geconstateerd, dat het toponymische materiaal allerlei interessante bevindingen toelaat, maar zijn, wat de chronologie en de geografische uitbreiding der Frankische kolonisatie betreft, nog niet veel verder gekomen. Zekere toponymisten menen nochtans hun bevindingen zeer nauwkeurig te kunnen dateren en er historische conclusies uit te kunnen afleiden. Het eigenaardige daarbij is echter, dat ze gewoonlijk hun kader eerst aan een weinig critische historische opvatting ontlenen en daarna vullen met toponymica, taalkundig uitstekend ontleend, maar gerangschikt volgens de min of meer willekeurige indeling van het reeds tevoren geconstrueerde kader.» «Het gevaar ligt gewoonlijk vooral hierin, dat historici allerlei besluiten willen afleiden uit toponymisch materiaal; dat toponymisten historische gegevens op hun manier interpreteren; dat taalkundigen verklaringen vragen aan de archaeologie enz. Nu bedoel ik helemaal niet, dat elk vak uitsluitend op zijn eigen gebied moet blijven. Maar wel dat in de synthese van de elementen, die de verschillende groepen specialisten leveren, er een tamelijk brede speelruimte moet gelaten worden. Meer preciesheid in de chronologie, meer aanpassing bij de politieke feiten – voor zover die vaststaan! – zal misschien later mogelijk zijn. Tot nu toe is die preciesheid juist onwetenschappelijk! Men moet voorlopig zoveel mogelijk het gevaar uit de weg gaan aan zijn eigen specialiteit de resultaten van nevenvakken willens of onwillens aan te passen. Anders komt men tot fantastische constructies, waarvan we reeds meer dan één voorbeeld hebben aangetroffen. Als historicus erken ik daarbij gaarne, dat de grote oorzaak van vergissingen vooral uit de geschiedkundige teksten voortvloeit, waaraan men een zekerheid toeschrijft, die ze voor de zeer vroege Middeleeuwen vaak ontberen.» (4). «Indien we de bevindingen der toponymische studiën samenvatten, kunnen we besluiten dat totnogtoe deze hulpwetenschap er evenmin als de kritiek der historische teksten of de archaeologie in geslaagd is een chronologisch en geographisch volledig bevredigend beeld van de Frankische vestiging te ontwerpen. Zekere taalkundige feiten staan vast, zoals we hiervoor zagen, maar de interpretatie blijft een twistvraag.» (5). Naarmate de naamkunde steeds duidelijker een bron van dwaalwegen blijkt wordt de ‘wetenschappelijke autonomie’ van de naamkunde in steeds ronkender bewoordingen opgeëist : «Nu, honderd jaar later, staat het buiten twijfel dat de naamkunde een geëtableerde wetenschap is met een breed onderzoeksterrein, waarop plaatsnamen, persoonsnamen en andere klassen van eigennamen zowel diachroon als synchroon worden bestudeerd. De naamkunde is haar status als hulpdiscipline ontgroeid en treedt naar buiten als een zelfstandige wetenschap die de structuren en wetmatigheden onderzoekt van het object van haar onderzoek, de eigennaam.» (6). De naamkunde, wat de naamkundigen er ook over mogen denken, is een hulpwetenschap die feiten kan bevestigen of weerleggen, of, beter gezegd, waarschijnlijker of onwaarschijnlijker kan maken. In beperkte mate kunnen veronderstellingen uit de naamkunde richting geven aan historisch en archeologisch onderzoek. Maar de naamkunde geeft nergens de doorslag. In het Nederlandse taalgebied daarentegen werd de naamkunde hét fundament van de mythen waarop kon worden door-geredeneerd zonder controle van buitenaf zolang er weinig ander materiaal beschikbaar was. De naamkunde vormt een grensgebied tussen de geschied-, aardrijks- en taalkunde, een gebied dat wetenschappelijk van de grond kwam vanuit de topografie. Het is nooit een zelfstandige discipline geweest, maar leunde op de drie bronnen. Voorzover die geen antwoorden konden leveren vanuit elkaars vakgebieden kon de naamkunde zich overkoepelend boven deze drie wetenschappen stellen en heel aanmatigend een geweldige vlucht nemen. De onnavolgbare hoogtepunten van de Hollands-Utrechts-Friese naam- en bodemkunde worden nog immer gevormd door Zwammerdam en Leuterveld, twee namen die nooit meer vergeten mogen worden omdat de eerste vereenzelvigd wordt met het Romeinse Nigropullo en de tweede met het vroeg-middeleeuwse Lote; twee plaatsen die ver buiten de huidige Nederlandse grenzen lagen. 2. Albert Delahaye en KennemerlandHet boek Noordhollandse plaatsnamen heeft de verdienste dat daarin een heet hangijzer in de naamkunde openlijk ter sprake is gebracht in plaats van het te verdonkeremanen. Over de Kennemerse naamkunde en Albert Delahaye staat daar : «1. Plaatsnaamsafleiding: vaak een zaak van (ver)gissen... Daarover kan worden opgemerkt dat het moeilijk van Albert Delahaye kon worden verwacht dat hij in een bestand van duizenden namen, gedocumenteerd in 1200 bladzijden, ook nog eens de etymologie van elke naam afzonderlijk kon geven – wat het onderwerp van zijn studie ook niet was. Het ging om het juiste geografische verband van het hele complex van de voor Holland opgeëiste middeleeuwse teksten. De naamsverklaring is een ander, afzonderlijk gebied dat alleen terzijde te maken heeft met de vraag naar de geografische samenhang van het geheel van de namen. Dat neemt niet weg dat beginnende naamkundigen er verstandig aan doen om zijn hoofdstuk over De dwaalwegen van de historische naamkunde goed door te nemen (8). Het gaat om betrekkelijk simpele regels : «Alvorens men een historische plaatsnaam ergens mag neerleggen, moet aan drie voorwaarden zijn voldaan : Voor de naamsverklaringen bestaan gespecialiseerde woordenboeken waarvan voor Noordhollandse plaatsnamen niet eens de standaardwerken van Gysseling, De Seyn en De Flou zijn geraadpleegd zodat massa’s naamsverdubbelingen onopgemerkt bleven die aan het denken hadden kunnen zetten. Niemand kan ontkennen dat in Frans-Vlaanderen, op de taalgrens, verreweg de meeste namen zowel een Germaanse als een Gallo-Romaanse vorm hebben. En het is ook duidelijk dat daarnaar nog vreselijk veel onderzoek te doen is waaraan natuurlijk alleen wordt begonnen als het probleem wordt onderkend. Albert Delahaye schreef daarover : «Door de taalkundigen zijn bepaalde regels van de etymologische ontwikkeling van woorden en namen, al dan niet gepaard gaande met klankverschuivingen, geconstateerd, waaraan de woorden zich over het algemeen hebben gehouden. Het gaat echter te ver, die regels tot het enige en laatste criterium te verheffen en een naamsverklaring te verwerpen, die niet aan deze regels zou voldoen. In Noordhollandse plaatsnamen wordt van de oudste gehanteerde naamvormen bron noch samenhang gegeven zodat wat beweerd wordt oncontroleerbaar is. Er diende juist eerst te worden aangetoond – zeker sinds daarover discussie ontstond – dat de documenten waarin ze voorkomen inderdaad op Kennemerland betrekking hebben. Naamkundigen die beginnen te ‘kissebissen’ – zoals in Noordhollandse plaatsnamen wordt onthuld – zodra “hun wetenschappelijke reputatie in het geding is”, en die blijkbaar – zoals een briefschrijver hier meldde – “ego’s hebben zo groot als gothische kathedralen” zijn niet op zoek naar de historische waarheid en verdienen het predicaat ‘wetenschappelijk’ niet eens. Tegenover alle gewichtigdoenerij moet maar eens worden gezegd dat het nu ook weer niet zo vreselijk moeilijk is om het grote Woordenboek der Nederlandsche Taal en het Middelnederlandsch handwoordenboek van E. Verwijs en J. Verdam te raadplegen. Voor de verklaring van Hollandse plaatsnamen hebben we immers bijzonder weinig Keltische of Oud-Gothische woorden nodig (11). In de inleiding van Noordhollandse plaatsnamen wordt G. Karsten verweten dat deze “te karig was met vraagtekens en te royaal met eigen of andermans zekerheden”. Zelf geeft Jan Pannekeet wel héél voorzichtig en al te bescheiden enkel ‘waarschijnlijkheden’ met zoveel mogelijk slagen om de arm. De naamkundigen spreken elkaar tenslotte voortdurend tegen. En het valt toch wel erg op dat in dit boek de mythe van Velsen gehandhaafd blijft terwijl die van het zevende eeuwse Heiloo onder groot stilzwijgen is afgevoerd, net als die van Adrichem waarvan de Velsense mythe nu juist in zo grote mate afhankelijk is. 3. Persoonsnamen en geografische namen : de ‘Jan en Piet’-verklaringMansnamen komen herhaaldelijk voor in veldnamen en zijn dan duidelijk herkenbaar : in Castricum bijvoorbeeld de Jan Evertsven en de Jacob Sijmansweid. Bij plaatsnamen daarentegen is afleiding uit een persoonsnaam een zwaktebod van naamkundigen, omdat het weinig waarschijnlijk is dat hele dorpen naar een persoon genoemd zijn (afgezien van een heilige, een grootgrondbezitter van inpolderingsgebieden, de vrouw van een koning voor een nieuw inpolderingsgebied of een pasgeboren kroonprinses). Duidelijke uitzonderingen in Noord-Holland zijn Sint-Maarten en het vijftiende eeuwse Sint Pancras, de zeventiende eeuwse Heerhugowaard, de negentiende eeuwse Anna Paulownapolder en Julianadorp uit 1913. Volgens het Woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse plaatsnamen van de ‘altgermanische’ Jan de Vries daarentegen zijn niettemin maar liefst 700 mansnamen in Nederlandse plaatsnamen terechtgekomen. Afleiding uit een persoonsnaam veronderstelt echter dat er in de documenten, desnoods in legenden of anderszins iets terug te vinden zou zijn over die persoon. Maar zo iemand is, buiten enkele zoals de boven genoemde recente uitzonderingen, voor geen enkele van de maar liefst 2.000 Nederlandse historische plaatsnamen die uit persoonsnamen worden afgeleid voorhanden. P.J. van Ravesteyn schrijft bijvoorbeeld in 1924 geheel terecht over de naamsverklaring van Hilversum : «Wat de naam betekent staat mede niet vast. Het is wel heel gemakkelijk te spreken van zekeren Hilfert, die zijn hoeve naar zijn eigen naam Hilfertsheim noemde, welke naam later op de buurtschap overging, maar meer dan raden is dit toch niet; een historisch persoon is die Hilfert geenszins.» Dit was duidelijk tegen het zere been van G. Karsten : «Hier is iemand aan het woord, die op het gebied van de toponomie van toeten noch blazen weet. Want vooreerst is het toch wèl zo, dat vele plaatsnamen ontleend zijn aan persoonsnamen, ook Hilversum, vervolgens waren dit gewoonlijk geen historische personen, maar vaak niet meer dan gewone boeren, die in hun omgeving door hun bezit en hun aanzien enige bekendheid genoten.» (12). ‘Welles’ volgt op ‘nietes’; de bewering wordt herhaald, maar argumenten worden er niet gegeven. Dr. D.P. Blok maakt zich er als volgt van af : «Dat deze namen [de heem-namen] in West-Europa gevormd werden vanaf de 5de tot de 10de eeuw, daarover bestaat een communis opinio. Men bespare mij hier een uitgebreide bewijsvoering. [...] Hoewel dus Hilversum pas in de 14de eeuw voor het eerst genoemd wordt, weten we door deze naam, dat de woonplaats minstens tot in de Karolingische tijd teruggaat [toegevoegd in de derde druk: dit klopt met de archeologische gegevens]. Voor de wel eens geuite gedachte, dat de -heem-namen, die samengesteld zijn met een appellativum [soortnaam] in plaats van een persoonsnaam, jonger zouden zijn, is geen reden.» (13). Het stemt niet overeen met de archeologische gegevens, vandaar dat dr. D.P. Blok niets kan aanhalen. Die communis opinio betekent alleen, geheel in de lijn van de traditionalistische traditie, dat dr. D.P. Blok het zo met een paar collega’s heeft afgesproken, uitgaande van twijfelachtige en niet nader genoemde literatuur, zonder dat daarvoor openbaar verdedigbare argumenten kunnen worden aangevoerd. Er zijn drie voorwaarden waaraan moet worden voldaan om een plaatsnaam uit een persoonsnaam af te leiden :
Hilversum, dat pas voor het eerst wordt vermeld in 1305 (14) voldoet aan geen van de drie voorwaarden en bijgevolg is de naamsverklaring een slag in de lucht. In De Franken wordt het één met het ánder afgedekt en het ánder met het één, en dan worden we in de derde druk ook nog gewaarschuwd “voor het gevaar dat men in cirkelredeneringen terecht komt”, waarvan de schrijver grootmoedig toegeeft dat ook hijzelf daarvan één keer – bijna – het slachtoffer is geworden (15). Bovendien zou men bij samengestelde plaatsnamen met een persoonsnaam als hoofdbestanddeel in het algemeen een tweede naamval verwachten op -s of -en, maar die namen zijn schaars. Opvallend is bovendien dat de naamkundigen naast die 700 mansnamen, die bovendien voor een groot deel in geen enkel voornamenboek zijn terug te vinden, er nauwelijks plaatsnamen uit vrouwennamen worden afgeleid, terwijl veldnamen herhaaldelijk duidelijk herkenbaar uit vrouwennamen zijn ontstaan : in Castricum bijvoorbeeld het Grietje Gerbrandsven. In naamkundige boeken wordt ergens in de jaren 1960 de term mansnaam zonder uitleg vervangen door het neutraler ‘persoonsnaam’, terwijl vrouwennamen blijven ontbreken. Naamkundigen dienen te worden gewantrouwd wanneer ze geografische namen afleiden uit persoonsnamen. In het Woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse plaatsnamen van de ‘altgermanische’ Jan de Vries staat bijvoorbeeld schaamteloos dat er persoonsnamen uit plaatsnamen worden afgeleid in plaats van omgekeerd (16). Elders schreven we daarover : «Een uit een geografische naam afgeleide persoonsnaam, die verder nergens voorkomt, kan niet worden aangevoerd als verklaring voor diezelfde geografische naam. Een dergelijke zelfbevestigende constructie is oncontroleerbaar en dus onweerlegbaar en daardoor ook onaanvaardbaar.» (17). Deze gewoonte van naamkundigen gaat terug op zestiende eeuwse verzinsels zoals Heer Lem als stichter van de stad Haarlem (18) en Friso en Bato als oervaders van achtereenvolgens de Friezen en de Betuwers. Nadat deze ‘nevelhelden’ al waren afgeschreven werd de ‘stichtende eenling’ echter op steeds groter schaal toegepast in de verklaring van plaatsnamen. Eén van de schuldigen voor het Nederlandse taalgebied (als we het Fries daartoe mogen rekenen), door wie de mansnamen-verklaring van geografische namen een geweldige vlucht kon nemen, was Johan Winkler met zijn Friesche naamlijst (Onomasticon Frisisum) uit 1898, waarin door de nevenschikking van mansnamen, vrouwsnamen, geslachtsnamen en plaatsnamen het etymologisch verband tussen al deze eigennamen werd opgedrongen, altemeer omdat andere voor het etymologisch verband in aanmerking komende woorden in deze lijsten geen plaats hadden (19). De ‘moderne’ gewoonte kwam in Nederland in de negentiende eeuw binnengewaaid, maar het is nog onopgehelderd wanneer of vanwaar, of wie het idee als eerste een ‘theoretische’ grondslag en dus een wetenschappelijke aanschijn gaf. Eén van de ideeën was dat alle ‘Germaanse’ -hem-namen ‘Karolingisch’ zouden zijn en afgeleid konden worden uit mansnamen; in de Karolingische tijd was het ‘immers’ gewoonte om afzonderlijke boerderijen, die met een groot woord al snel met ‘hofsteden’ werden aangeduid, en waaruit later door gezinsuitbreiding hele plaatsen zouden zijn gegroeid, naar de oorspronkelijke eigenaar te noemen (20). Vervolgens werd hetzelfde naamkundige uitgangspunt toegepast op andere uitgangen totdat het algemene toepassing begon te vinden... vooral wanneer andere verklaringen zich niet opdrongen en ‘de naamkunde’ voor een raadsel leek te staan. 4. Persoonsnamen in -acum-namenVergelijken we wat de Franse toponymisten momenteel te zeggen hebben over persoonsnamen in -acum-namen : «Deze samenstelling persoonsnaam + acum werd in de systematiek voorgesteld door een geschiedkundige uit de negentiende eeuw, d’Arbois de Jubainville, die dat baseerde op de duurzaamheid van de Romeinse eigendom. Deze theorie werd vervolgens overgenomen door de grote toponymisten Longnon, Vincent, Dauzat, en onze tijdgenoten E. Nègre en M. Th. Morlet. Deze stelling werd aangevochten door de Kelten-kenner François Falc’hun die ervan overtuigd was dat de Noord-Franse plaatsnamen waren samengesteld uit Bretonse onderdelen (hij had ongelijk toen hij de ontwikkeling van de Romaanse uitspraak, die sommige van zijn interpretaties tegenspraken, niet in overweging nam). Bovendien kunnen sommige namen van voorwerpen beschouwd worden als bijnamen en persoonsnamen worden. Kritiek op de stelling van de Franse archivaris Henri d’Arbois de Jubainville (1827-1910) kwam er van de Bretonse kanunnik en naamkundige François Falc’hun (1909-1991) : «Zich vooral bekommerend om het leggen van een afleidingsverband tussen persoons- en plaatsnamen waarop hij zijn stelling over de Romeinse oorsprong van het grondeigendomsrecht in Gallië kon laten rusten, schijnt d’Arbois de Jubainville zich niet te hebben afgevraagd of een plaatsnaam die hij afleidde uit een persoonsnaam niet net als deze kon worden afgeleid uit een derde woord, een zelfstandig naamwoord, noch of een dergelijke in Gallië vaak voorkomdende naam die hij verbond aan een zeldzame of niet geattesteerde persoonsnaam controleerbare toponymische betekenis had, hetgeen de verklaring vanuit een persoonsnaam toch moeilijk verdedigbaar maakt.» (22). 5. Hem-namen : geen karolingische boerderijen, maar twaalfde eeuwse kavelsBehalve dat ze ongefundeerd aan mansnamen worden verbonden is er nog iets mis met de verklaring van de «Hem (bij ham) in de betekenis van stuk land bleef tot in de 12e eeuw in gebruik in Noordholland. Als subst. in Assendelft: Quartum decimum hem a via usque in Hi (Fontes Egmundenses, p. 93).» (23). Niets karolingisch dus, want de naam dient verklaard te worden vanuit de woordenschat die bestond ten tijde van de eerste vermelding van de naam. De uitdrukking : “bleef tot in de 12e eeuw in gebruik” dient voor Holland te worden gelezen als : “was vanaf de twaalfde eeuw in gebruik”. In het Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (De Vries, 1962) wordt als betekenis gegeven : «hem in plaatsnamen heeft verschillende betekenissen en wel : En : «ham betekent ‘landtong, die in |
| Noten |
|
1. Voor de toponymie van Kennemerland (en verdere literatuuropgaven), zie :
G. Karsten (p. 10) vermeldt nog de volgende vroege titel : Naamsuitgangen van eenige, meest Nederlandsche plaatsen / J.H. Hoeufft. – 1816. Van belang is ook : Handboek der Middelnederlandsche geografie / L.Ph.C. van de Berg. – 1949. 2. Nederlandse plaatsnamen, t.a.p., p. ix. 3. Vergelijk dat met de mythologische methode : «Archeologie heeft zeker de karige informatie van de geschreven bronnen aangevuld.», uit : Geschiedenis van de Nederlanden / J.C.H. Blom en E. Lamberts (red.). – Baarn : HB Uitgevers, 2001. – p. 5. Het uitgangspunt wordt hier gevormd door de mythen; de archeologie is er vooral om deze ‘aan te vullen’, maar nauwelijks om ze tegen te spreken. 4. De Frankische kolonisatie / Dr. Ch. Verlinden. – In : Algemene geschiedenis der Nederlanden, (1949), t.a.p., p. 239-240. 5. Algemene geschiedenis der Nederlanden, (1949), t.a.p., p. 242. 6. Tijdschrift naamkunde, jaargang 28, 1996, p. 137-155, geciteerd naar : Naamkunde, tijdschrift voor naamkunde in het Nederlandse taalgebied. Het nieuwe Netwerk Naamkunde (initiatief Meertens Instituut) meldt in 2010 : «Toch heeft de naamkunde het moeilijk in Nederland en Vlaanderen. Er zijn geen leerstoelen meer en slechts weinig instituten hebben structureel ruimte voor naamkundig onderzoek.» 7. De (mogelijke) betekenis van alle Noordhollandse plaatsnamen, t.a.p., p. 9-10. 8. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 11-53. 9. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 11. 10. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 19. 11. Dit vijftal is voor de meeste doeleinden ruim voldoende :
12. Noordhollandse plaatsnamen / Dr. G. Karsten. – Amsterdam : Uitgeverij Jacob van Kampen, 1951. – 167 p. – p. 55-56. Het vak heet eigenlijk toponymie, niet toponomie; een wel érg ongelukkige vergissing in een boutade tegen een kritische vragen stellende amateur. 13. De Franken, t.a.p., p. 90-91. 14.Nederlandse plaatsnamen, t.a.p., p. 96. 15. De Franken in Nederland, t.a.p., p. 9. 16. Woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse plaatsnamen, t.a.p., p. 10 : «Voor de kennis van de persoonsnamen geven de plaatsnamen ook een rijk materiaal. Men zal kunnen vaststellen, dat een zeer groot deel onzer toponiemen de herinnering bewaart aan de man, die eenmaal het besluit nam, zich ergens te vestigen en zijn huis te bouwen; naar hem werd sindsdien de nederzetting, die zich in de loop der tijden tot een stad kon vergroten, genoemd. En als hij zelf met veel trots zijn eigen schepping niet benoemde, dan deden het wel zijn buren, omdat elke woning nu eenmaal haar naam moet hebben en zij het beste naar Jan of Piet kan worden genoemd, die daar zijn zetel had opgeslagen. Maar Jan en Piet vinden wij in onze plaatsnamen nu juist niet. Wij vinden een lange reeks van namen, die geheel uitgestorven zijn, echte oude goed-Germaans klinkende namen als Frithumêr of Sigihard. Maar het blijkt bovendien, dat men van de oudste tijden af de behoefte gevoelde in de plaats van deze ietwat zwaarwichtige namen in de kring van vrienden en verwanten allerhand vleinamen te gebruiken. Men sprak dan niet de volle naam Godobercht of Godofrid uit, maar kortweg Godo of Godso, of verkortte Hildifrid en Hildigêr tot Hildo, Hillo en Hildso. Zulke vleinamen treden in een verrassend aantal in onze plaatsnamen op, soms heel vreemd klinkende als Ippo, Kiso, Lino, Poppo. Het is dan van belang op te merken, hoe ook in de naamgeving voortdurend veranderingen optreden: de oude Germaanse voornamen moesten plaats maken voor de christelijke en in de latere eeuwen wisselden de ene mode na de andere, van de Franse Adèles en Mathildes tot aan de Engelse Kitties en Jennies. Aan het eind van dit boek heb ik een lijst gegeven van de personennamen, die uit onze plaatsnamen kunnen worden afgeleid.» Tot zover de bron- en verantwoordingsloze ‘Jan-en-Piet’-verklaring van geografische namen (vet hier toegevoegd). 17. Zie : De Deurnse Doordraver, Epiloog, Over de Utrechtse Nifterlaca-mythe. 18. Zie bijvoorbeeld : Heimwee naar de middeleeuwen. Opstellen in theologisch perspectief ter gelegenheid van het 19de lustrum van het Collegium Theologicum c.s. F.F.F.-Nemo S.S.S. / redactie Els de Bijll Nachenius [et al.]. – Leiden : Collegium Theologicum c.s. F.F.F.-Nemo S.S.S., 1989. – 114 p. 19. Van grote invloed voor de verklaringen van Hollandse plaatsnamen was de Friesche Naamlijst (onomasticon Frisicum) van Johan Winkler : Friesch woordenboek (Lexicon Frisicum) bewerkt door Waling Dijkstra te Holwerd, en Dr. F. Buitenrust Hettema, Leeraar aan het Gymnasium te Zwolle, benevens Lijst van Friesche Eigennamen, bewerkt door Johan Winkler, te Haarlem. Uitgegeven ingevolge besluit der Staten van Friesland, onder toezicht van de door de Gedeputeerde Staten benoemde Commissie, de heeren: J. van Loon Jz., Lid van de Gedeputeerde Staten van Friesland, en Mr. Ph. van Blom, Raadsheer in den Hoogen Raad der Nederlanden. – Leeuwarden, Meijer & Schaafsma, 1898.
Het zijn meest onwetenschappelijke werken waarin bijvoorbeeld niet eens de eerste maal wordt aangegeven dat een bepaalde naam voorkomt. Doorgaans zijn ze vooral geschreven voor ouders op zoek naar een leuke naam voor hun kinderen. Maar dat kan de wetenschappelijke aanmatiging beter achterwege blijven. 20. Toen het ‘leidersbeginsel’ ingang vond zou deze theorie nog meer aanhangers werven, waarbij er soms gelijk maar van werd uitgegaan dat een mysterieuze ‘stichter’ de plaats naar zichzelf noemde in plaats van dat ánderen die naar hém noemden. Dat alles verklaart waarom zo vele schrijvers van ná 1945 liever niet vertellen waar zij hun wijsheid vandaan haalden en voortdurend spreken over ‘algemeen aanvaarde opvattingen’ zonder enige verantwoording. Voor de Duitse naamkunde, zie :
Voor meer achtergrond, zie ook : De eenheid van ‘het volk’ als basis voor wetenschap en politiek. P.J. Meertens en de Westforschung. / Barbara Henkes. Verder onder : De geografie van de ‘Lex Frisionum’. 1. Inleiding. 21. Noms de lieux du Nord-Pas de Calais, t.a.p., p. 46-47 : «Cette composition nom de personne + acum a été présentée comme systématique par un historien du XIXe siècle, d’Arbois de Jubainville, qui se basait sur la permanence de la propriété romaine. Cette théorie a été reprise ensuite par les grand toponymistes Longnon, Vincent, Dauzat, et nos contemporains E. Nègre et M. Th. Morlet. Cette thèse a été combattue par le celtisant François Falc’hun, persuadé qu’il était que les toponymes de la France d’oïl avaient été créés à partir d’éléments bretons (il eut tort de ne pas vouloir tenir compte de l’évolution phonétique romane qui contredit certaines de ses interpretations). De plus, certains noms d’objets peuvent être considérés comme des sobriquets et devenir des noms de personnes. 22. Encyclopedie de la langue Française : «Préoccupé avant tout d’établir entre noms d’hommes et noms de lieux un rapport de dérivation sur lequel il pût appuyer sa thèse de l’origine romaine du droit de propriété foncière en Gaule, d’Arbois de Jubainville ne semble pas s’être demandé si tel nom de lieu qu’il fait dériver de tel nom d’homme ne dériverait pas en même temps que lui d’un troisième vocable, un nom commun; ni si tel nom de lieu particulièrement fréquent en Gaule, qu’il rattache à tel nom d’homme rare ou inattesté, n’aurait pas une valeur topographique vérifiable sur place, ce qui rendrait difficilement défendable l’explication par un nom d’homme».. Het citaat komt waarschijnlijk uit : Les noms de lieux celtiques / François Falc'hun. – Rennes : Ed. armoricaines, 1966-1979. – 3 vols. 23. Naamsveranderingen en modeverschijnselen in de middeleeuwse plaatsnaamgeving in Utrecht en Holland benoorden de Lek / [D.P. Blok]. – In : Mededelingen van de Vereniging van naamkunde te Leuven en de Commissie voor naamkunde te Amsterdam. – 33e jaargang, 1957, nr. 1, p. 17-26. – p. 18, noot 5. De aangehaalde passage komt uit de Liber S. Adalberti; de hele zin luidt : «Ab occidentale parte Flet quartumdecimum hem a via usque in Hi.» 24. Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (De Vries), t.a.p., p. 75. 25. Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (De Vries), t.a.p., p. 70. |