VorigeBurggraven van Gent, 962-1039Volgende

Dirk II van Gent, burggraaf van Gent

Inhoud van deze pagina

  1. Genealogie/oorkonden/numismatiek
  2. Dirk II in de Egmondse bronnen
  3. Secundaire bronnen
    Noten

1. Genealogie/oorkonden/numismatiek

  • Geboren : onbekend;
    Overleden : 6 mei 988 (1);
    Zoon van : onwaarschijnlijk Dirk I;
    Trouwt : Hildegard, dochter van Arnulf I van Vlaanderen [en Adela van Vermandois] (2);
    Kinderen :
    • Arnulf van Gent volgt hieronder.
    • « Egbert, vermeld 2 Oct. 974, werd in 976 kanselier van koning Otto II [van Duitsland] en in 977 aartsbisschop van Trier, gest. 9 Dec. 993 of 994» (3).
      « 979. In Blandinio consecratio turris occidentalis ab Hecberto Treverorum archipraesule » (4).
      « 994. Obiit Hecbertus Treverorum archiepiscopus » (5).
      « 993. Egbertus Trevirensis archiepiscopus obiit » (6).
      « [19] Deze zo buitengewoon onbekrompen graaf kreeg een zoon die hij Egbert noemde, die hij uit godvrezendheid bestemde voor een geestelijk ambt. En in een zeker jaar toen deze – reeds volwassen – het ambt van subdiaken vervulde, werd hij daags na Palmzondag door een hevige koortsaanval bevangen en door het felle aanhouden had hij er tot aan het feest van onze heilige (25 juni) veel last van. Toen hij echter uit vertrouwen op de wondermacht van de zeer vrome belijder had besloten met de anderen de plechtige hoogmis mee te vieren, genas hij zo volkomen van zijn ziekte alsof hij er nooit door was getroffen. Verheugd over het verdwijnen van zo’n kwelling, vervulde hij tijdens de misplechtigheid zijn taak met volle overgave.
      Hij is dus de Egbert die tegenwoordig – nadat hij eerst van Godswege het pallium van het aartsbisschopsambt had gekregen – de kerk van Trier bestuurt, met evenveel energieke en vrome gedrevenheid als een rijp en bezonken oordeel. » (7).
    • Arlindis (8).
      « [20] Dezelfde graaf had een dochter, Erlinda, van wie hij zeer veel hield; lange tijd had ze het licht in een van haar ogen verloren. Maar waarom zou ze niet ervaren dat zo’n goede belijder het beste met haar voor had? Haar ijverige vader had hem immers door zijn vele goede werken aan zich verplicht! Daarom kreeg ze het gezichtsvermogen weer terug: deze weldadige genezing gaf haar meer vreugde dan ze gehad zou hebben wanneer er nooit wat aan het oog had gemankeerd. » (9)
  • Genoemd in oorkonden : vervalsing voor 962, daarna tot 981 (10);
    Gegeven oorkonden : 967?-988 (11Dirk II heeft te Gent vijf oorkonden gegeven (waarvan de laatste alleen in de vorm van een losse aantekening bestaat).
    • In de eerste treedt hij met Boudewijn, Erik en Everwijn op als uitvoerder van het testament van graaf Arnulf I van Vlaanderen.
    • In de andere vier wordt hij al dan niet met zijn vrouw Hildegard genoemd als schenker aan de abdij Blandinium bij Gent (de St.-Pietersabdij, er was te Gent ook de St.-Baafsabdij).
    • Het gaat om : het goed Walem (Walem te Wortegem, Oost-Vlaanderen, of Wattelot aan de Leie bij Are (Frans Aire-sur-la-Lys), hun goed Kleihem (mogelijk landgoed Kleihem te Zuienkerke, ten noordwesten van Brugge), hun goed te Aalter (ten westen van Gent), zijn goed Frilingim (Fersinghem bij St.-Omaars, Frans St.-Omer), goederen te Wavrans (Wavrans-sur-l’Aa ten zuidwesten van St.-Omaars) en Salomé (?).
  • Muntslag : onbekend.

In de oorkonden is de band van Dirk II met Gent duidelijk terwijl er geen enkele band met Holland is; dat verband is van eerst veel later gelegd in de Egmondse abdij om oude aanspraken op te kunnen eisen.

2. Dirk II in de Egmondse bronnen

Zie : Het Egmonds Dodenboekje.

3. Secundaire bronnen

  • De oorkonden en de kanselarij, 1971 :
    « Dirk II wellicht voor het eerst vermeld 10 juli [936-941], Koch, OHZ, I, nr. 30; sterft 6 mei 988, necrologium van Egmond, uitg. Oppermann, Fontes Egmundensis, p. 106. » (14).
  • Nijhoffs Geschiedenislexicon, 1981 :
    « Dirk II, †988; zoon van Dirk I. Wordt 10.6.953-1.4.988 vermeld; gehuwd met Hildegard(is), dochter van Arnulf I van Vlaanderen. Na diens dood (965) maakte Dirk zich meester van een deel van Vlaanderen (o.a. het graafschap Gent); ontving 969 van Lotharius II het Land van Waas; 985 van Otto III ook Maasland, Kennemerland en Texel. Volgens de oorkonde was hij als prefect de drager van het rijksgezag in de gouw Texla. Zijn zoon Egbert werd 976 kanselier van keizer Otto III en 977 aartsbisschop van Trier; zijn zoon Arnulf van Gent huwde met Liutgardis van Luxemburg. » (15).
  • Genealogie van de graven van Holland, 1954 :
    « Dirk II, graaf van Holland, was behalve in Kennemerland en Texel ook graaf van Maasland, vermeld 10 Juni 953 tot 1 April 988, maakte zich bij de dood van zijn schoonvader, de graaf van Vlaanderen, in 964, meester van het graafschap Gent en het land van Waas gest. 6 Mei 988. Hij tr. Hildegard, dochter van Arnulf I, graaf van Vlaanderen, geb. in een onbekend jaar, gest. 10 April 990. » (16).
  • Biographisch woordenboek der Nederlanden, 1858 :
    « DIRK II, Graaf van Holland, volgde zijn vader in de regering op, en zijne goederen werden in 985 door Keizer O t t o III aanzienlijk vermeerderd; in deze schenking wil men den oorsprong der grafelijke Domeinen vinden. In hoever het berigt waar is van zijnen strijd met de West-Friezen, van hunne plunderingen te Alkmaar tot aan Leiden toe, en van hunne daarop gevolgde vernedering door D i r k II, laten wij, bij gebrek aan zekere bewijzen, vóór of tegen de waarheid van dat verhaal, in het midden. Meer zeker is het, dat D i r k II de kerk te Egmond van steen opbouwde en met zijne vrouw H i l d e g a a r d de abdij aanzienlijke grondgoederen schonk; hij bevolkte die met monniken uit de Benedictijnerorde en verplaatste de nonnen naar Bennebroek, wegens de onveiligheid der plaats aan de zeekust. In 961 of 962 volgde hij zijn schoonvader W ij c h m a n, als Graaf van Gent op, welke waardigheid op zijn zoon A a r n o u t en kleinzoon, D i r k III is overgegaan, en overleed in 987, 988 of volgens anderen in 989. Hij werd met zijne gemalin in de Abdijkerk te Egmond begraven, en door zijn zoon A a r n o u t opgevolgd. Zijne afbeelding ziet op onderscheidene wijze het licht.
    Zie Melis Stoke, Rijm-Kronijk. B. I bl. 61, 87; Oude Holl. Div. Chron. bl. 110; van Leeuwen, Bat. Illust. bl. 1367; Hoogstraten, Woordenb.; van Hemert, Levensbesch. der Holl. Graven, bl. 22-31; (Loosjes), Characterk. der Vaderl. Geschied. D. I. bl. 167-171; Kok, Vaderl. Woordenb.; Wagenaar, Vaderl. Hist. D. II. bl. 114, 118, 122, 125, 128, 132; van Wyn, Bijv. en Nalez. op Wagenaar, D. II. bl. 29-41, 53, 54; Kist en Royaards, Nederl. Arch. voor Kerk. Gesch. D. I. bl. 377, 389, D. II. bl. 397; Arend, Algem. Gesch. des Vaderl. D. II. St. I. bl. 27-29; dit Woordenboek, D. I. bl. 21; van der Chys, de Munten van Holl. en Zeel. bl. 10-12; Muller, Cat. van Portrett. bl. I, 305. »
     (17).
  • Nieuw Nederlandsch biographisch woordenboek, 1911 :
    «DIRK II, T h e o d e r i c u s, graaf in Friesland, gest. na 1 April 988, zoon van Dirk I en Geva. Hij schijnt W i c h m a n n opgevolgd te zijn als graaf van Gent en was als zoodanig vazal van den graaf van Vlaanderen. In 969 schonk Lotharius, koning van Frankrijk, hem het foreest Wasda, gelegen aan gene zijde der Schelde. 25 Aug. 985 gaf koning Otto III aan Dirk, die goederen tusschen Maas en Vlie in eigendom, welke hij tot nog toe in leen had. Dirk mengde zich in de lotharingsche twisten van dien tijd. Hij was gehuwd met H i l d e g a r d i s, misschien een dochter van A r n u l f I, graaf van Vlaanderen.
    Vgl. J. Bolhuis van Zeeburgh, Over de geschiedenis der eerste graven uit het Holl. huis (Leiden 1875), en L. Vanderkindere, Le formation territoriale des principautés belges au moyen âge (Bruxelles 1902).
    Poelman.»
     (18).
  • Bron :
    Volgens de derde van de ‘koningsoorkonden’ schenkt koning Lotharius (van Frankrijk) in 969 op voorspraak van zijn echtgenote Emma het forestum Wa[ttelo] aan een graaf Theoderico.
    Dit forestum (Walem) is ook opgevat als hetzelfde als het woud Wasda, dat werd opgevat als Zeeland of het Waasland bij Antwerpen; in het Oorkondenboek van Holland en Zeeland wordt het, waarschijnlijk juist, opgevat als Wattelot aan de Leie bij Aire-sur-la-Lys, waar graaf Dirk ook andere bezittingen had (19) en is het niet te verwarren met het andere Walem te Wortegem.
  • Bron :
    Volgens de vierde en laatste van de ‘koningsoorkonden’ schenkt koning Otto III (van Duitsland) in 985 ten behoeve van graaf Theodericus, goederen en opbrengsten, die deze van hem in leen hield tussen Liora en Hisla, in Sunnimeri, en « inter flumina Medemelacha et Chinnelosara gemerchi », en « in pago Texla », « tradidimus in comitatibus ita nuncupatis Masaland, Kinheim, Texla »,
    Liora en Hisla worden opgevat als Lier en IJssel; de Hisla wordt echter al in 814 genoemd en is dan de Lyzel of Lijsel die bij St.-Omaars in het Almere stroomde; de Liore zal dan de Lys zijn iets ten oosten daarvan; Sunnimeri wordt hier vertaald als Zonnemere; Medemelacha wordt opgevat als Medemblik maar is Meldick bij St.-Omaars; Chinnelosara gemerchi (?) wordt opgevat als Kennemerland en Texla als de Tesselgouw maar is Axles bij Calais; de woorden Masaland, Kinheim en Texla aan het eind zijn door een latere kopiïst ingevoegd; het genoemde Huslada zal Uzelot bij Leulinghem zijn dat al in 792 wordt vermeld (20).
  • Context :
    In deze periode ontstaat het bisdom Utrecht, toch is er geen enkel raakpunt tussen de bisschoppen van Utrecht en de graven van Fresia.
  • Context :
    De tekst van het Evangelarium van Egmond (Den Haag, KB, 76F1) werd samengesteld te Reims ca. 850-875, de illustraties in Noord-Frankrijk (Frans-Saksische school, ca. 900) terwijl de opdracht met afbeelding van Teodricus en Hildgardis werd toegevoegd in Gent  ±975. Het boek bevond zich in 1571 nog te Egmond, vervolgens te Haarlem, Keulen, Utrecht en sinds 1830 in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Het zal in de twaalfde eeuw in Egmond terecht zijn gekomen.
  • Vlaanderen :
    « Boudewijn III, graaf van Vlaanderen (958-62), †962; zoon van Arnulf I de Grote. Werd door zijn vader in 958 als medegraaf aangesteld, maar overleed kort nadien. Bij de dood van Arnulf I in 965 ging het graafschap over op Boudewijns zoon, Arnulf II. » (21).
    « Arnulf II, graaf van Vlaanderen (965-88), *ca. 960, †30.3.988; kleinzoon van Arnulf de Grote. Tot ca. 976 bleef hij onder voogdij van de Franse koning Lotharius. Daarna kreeg hij evenwel het gezag over de gebieden die door zijn grootvader veroverd waren, niet terug. Het overige deel van het graafschap viel uiteen in vrijwel zelfstandige gebieden, waarover familieleden het werkelijke gezag uitoefenden » (22).
  • Annales Blandiniensis :
    « 989. Obiit Arnulfus marchysus, nepos magni Arnulfi » (23).

Vervolg Volgende


Noten

1. De Genealogie van de graven van Holland geeft : « Aldus het Egmonds Necrologium. De Egmondse Annalen (uitg. Oppermann, Fontes Egm) p. 126 en de De Egmondse Kroniek (uitgave Kluit, Hist. Critica comitatus Holl. et Zeel.) p. 36, vermelden alleen het jaar 988. Dirk II treedt nog als getuige op in een oorkonde van 1 April 988 (Obr. oork. 60). »; De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299 geeft als bron : Necrologium van Egmond, uitgave Oppermann, Fontes Egmundensis, p. 106.

2. De Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., bronnen : « Zie over Hildegarde Bolhuis BVGO II, 6 p. 308 en L.&bsp;Vanderkindere, La formation territoriale des principautés belges au moyen age, dl. 1, 1902, p. 77. Haar sterfdag is overgeleverd in het Egmonds necrologium p. 106, zonder vermelding van een jaartal, doch direct volgend op de mededeling over de dood van Dirk II (988). Volgens Joh. à Leydis, Chronicon Belgicum (uitgave Sweertius, 1620) p. 112 stierf zij op 11 April en was zij reeds begraven te Egmond vóór de dood van Dirk II. Haar sterfjaar zou dus 988 kunnen zijn. ».

3. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., geeft : « Sterfdag en -jaar zijn niet geheel betrouwbaar overgeleverd. Zie Egmondse Annalen, p. 128, Egmonds Necrologium, p. 105, Egmondse Kroniek (uitgave Kluit) p. 41 (met Kluit’s critiek in noot 33), Gams, Series Episcoporum, 1873, p. 318, A. Hauck, Kirchengeschichte Deutschlands, III, 1896, p. 991»; verder nog als verwijzing : «H. Bresslau, Handbuch der Urkundenlehre etc., I, 1912(2), p. 467. »

4. Annales Blandiniensis, in : Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, deel 5, p. 25.

5. Annales Blandiniensis, in : Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, deel 5, p. 25.

6. Annales Quedlinburgenses, in : Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, in folio SS, deel 3, p. 69.

7. De Vita Sancti Adalberti Confessoris / G.N.M. Vis. – In : Egmond en Berne, p. 61-63.

8. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., meldt : « Zij wordt genoemd in de Vita sancti Adalberti prima (uitg. Fontes Egm.) p. 16, in het Liber sancti Adalberti (aldaar) p. 69, in het Egm. Necrologium (aldaar) p. 105 en in de Egm. Annalen (aldaar) p. 128. Haar naam luidt afwisselend Erlinda, Arlinda, Herlinda of Herlenda. Dat zij abdis te Egmond en Bennebroek zou zijn geweest is een verdichtsel uit latere tijden, zie Bolhuis, BVGO, II, p. 256. »

9. De Vita Sancti Adalberti Confessoris / G.N.M. Vis. – In : Egmond en Berne, p. 63.

10. Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, deel 1, t.a.p., nr. 36, vervalsing; mogelijk ook bedoeld vanaf 936/941 tot 949, tekst 30, 31, 33 en 35.

11. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., p. 243; Oorkondenboek van Holland en Zeeland, t.a.p., teksten 39, 43, 45, 46 en 57, zie : De oorkonden van Holland en Zeeland tot 1101.

14. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., p. 243.

15. Nijhoffs Geschiedenislexicon, t.a.p., p. 154.

16. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., p. 1; bronnen : «Obreen, Oork. 59 (= M.G.D.O III 19). Zie hierover Gosses, Verm. grfsch. Holl. p. 339, Oppermann, Untersuchungen zur nordn. Gesch. I (1920) p. 95 en 190 en II p. 6-11 en dezelfde, Die älteren Urkunden des Klosters Blandinium und die Anfange der Stadt Gent (Bijdr. Inst. v. Midd. Gesch. der Rijksuniv. te Utrecht), deel I, 1928, p. 351 e.v. Samenvattend: J.F. Niermeijer, Het Midden-Nederlandse rivierengebied in de Frankische tijd, in Tijdschrift voor Geschiedenis 66 (1953), p. 147 en 148.». Voor de vermeldingen van Dirk II : «Obreen, Oork. 30-34, 39-43, 45, 46, 51-57, 59, 60.», voor Gent en het land van Waas : «Alg. Gesch. d. Ned. II p. 18».

17. Biographisch woordenboek der Nederlanden, deel 4, t.a.p., p. 185-186.

18. Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, t.a.p., kol. 718-719.

19. Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, deel 1, t.a.p., tekst 40. Vergelijk : «Hij [Dirk II] had eigendommen te Rimmingshem (=Rincq) en te Ayra (=Ariën aan de Leie), die hij aan de St.-Pietersabdij van Gent schonk. Bezit te Friligem (=Frélinghien) schonk hij na het overlijden van zijn echtgenote eveneens aan de abdij van Gent.» (Van Frisia naar Holland, waarschijnlijk overgenomen uit : De eerste graven van Holland / H. Bruch. - In : Holland, Regionaal Historisch Tijdschrift, 18e jaargang, 1986, nr. 1, p. 13-23. ), zie : De oorkonden van Holland en Zeeland tot 1101.

20. Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, deel 1, t.a.p., tekst 55, zie : De oorkonden van Holland en Zeeland tot 1101.

21. Nijhoffs Geschiedenislexicon, t.a.p., p. 93.

22. Nijhoffs Geschiedenislexicon, t.a.p., p. 34-35.

23. Annales Blandiniensis, in : Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, SS in folio, deel 5, p. 25.


Start : 30 mei 2004 | Laatst bijgewerkt : 28 november 2014